Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel. De contourvederen staan meestal in regelmatige groepen bijeen, waartusschen zich doiisveeren of onbeveerde gedeelten bevinden. De kleinere contourveeren noemt men dekveeren, de grootere slag- of stuurpennen. De veeren, die den schouder en het voorste gedeelte van den rug bedekken, noemt men den mantel. De vleugels en de staart bestaan uit dekveeren en pennen. Aan een vleugel onderscheidt men groote slagpennen, 10 in getal, en kleine slagpennen, meest 9. In den staart bevinden zich meestal 10 stuurpennen. Jaarlijks worden de veeren door het zoogenaamde ruien vernieuwd; in den herfst vallen zij n.L uit en worden door nieuwe vervangen. Deve veeren krijgen in het voorjaar meestal heldere en fraaie kleuren. Men gebruikt sommige veeren inzonderheid tot het vullen van bedden, andere voor versiering van dameshoeden enz.

Vedermotten (Pterophorida) is de naam van een kleine familie uit de orde der Vlinders (Lepidoptera). Zij onderscheiden zich vooral door de gedaante der vleugels, daar deze door spleten in gevederde slippen verdeeld zijn. Deze vlindertjes vliegen bij avond, en van de in Nederland te huis behoorende soorten noemen wij: het witte vijfvingerige vedermotje (Pterophorus pentadactylus) met twee slippen aan de kromgebogen voorvleugels en drie vederen aan de achtervleugels — en het vedermotje van de kamperfoelie (Alucita polydactyla), dat eiken vleugel verdeeld heeft in zes pennetjes of vedertjes. Het is geelachtig bruin of bruinachtig grijs van kleur, met donkerbruine vlekjes op de vleugels, terwijl het aan de spits van elk vedertje een zwart oogje heeft. Het vliegt des avonds dikwijls om de lampen, zijn vleeschkleurig rupsje vernielt de bloemen der kamperfoelie.

Vederwolk. Zie Cirrus.

Vedette noemt men een voorpost van de cavalerie, die uit 2 of 3 ruiters bestaat.

Veeartsenijkunde is dat gedeelte van de algemeene geneeskunde, dat zich speciaal met de behandeling van de ziekten van de huisdieren bezighoudt. Zij berust op denzelfden grondslag en omvat dezelfde takken van wetenschap als de op de menschen toegepaste geneeskunde; de wetenschappelijke onderzoekingen hebben steeds zoowel op dieren, als op menschen betrekking gehad. Anatomische studies werden in de Oudheid en in de Middeleeuwen uitsluitend op dieren verricht, daar de lijkopening verboden was. Als wetenschap bestond echter de veeartsenijkunde niet vóór het einde van de 18dB eeuw. Enkele Grieksche en Romeinsche werken over dit onderwerp zijn ons bekend, zoo de „Artis veterinariae sive mulomedicinae libri quatuor" van Vegetius (4de eeuw n. Chr.) en enkele andere. Hun invloed was echter niet groot en veeartsenijkundige scholen bestonden nergens. De behandeling van zieke dieren bleef overgelaten aan herders, smeden en andere lieden, die uit den aard der zaak veel met dieren in aanraking kwamen. Wel zijn er uit de 16de en 17de eeuw een aantal prachtwerken over het paard afkomstig, waarin ook ziekten van dit dier worden beschreven. Zij werden meest vervaardigd door paardenliefhebbers, bezitters van stoeterijen, stalmeesters enz. Hiertoe behooren o. a. de werken van Fugger, Winter von Adlersflügel en Lafosse.

In de 18ae eeuw begon men ook met de oprich¬

ting van veeartsenijscholen. Dit was vooral een gevolg daarvan, dat de regeeringen zich, na de vreeselijke verwoestingen, door de veepest in het midden van deze eeuw aangericht, met de veeartsenijkunst bemoeiden, terwijl ook de veldtochten de behoefte aan paardenartsen deden ontstaan. In 1761 werd door toedoen van Bourgelat de eerste école vétérinaire royale te Lyon opgericht, in 1766 een tweede te Alfort bij Parijs. Daarop volgden staatsveeartsenijscholen te Turijn (1769), Kopenhagen (1773), Padua (1774), Skara (1774) en Weenen (1777) en een groot aantal andere. De eerste veeartsenijschool van Nederland (zie aldaar) werd pas in 1821 opgericht. Aanvankelijk bleven deze scholen op zich zelf staan, eerst in de 19de eeuw kwam de aansluiting bij de gewone geneeskunde tot stand, zoodat eerst toen de veeartsenijkunde haar plaats als wétenschap tusschen de andere vakken innam. Nadat deze ontwikkeling voltooid was, kreeg de veeartsenijkunde een geheel ander karakter; het bestrijden en voorkomen van besmettelijke ziekten, de hygiënische contröle op dierlijke voedingsmiddelen en andere openbare belangen traden in het laatst van de 19de eeuw meer en meer op den voorgrond. In alle beschaafde landen ontstonden een aantal wetten, die hierop betrekking hadden. In 1870 kwam in ons land een wet op het veeartsenijkundig staatstoezicht en op de veeartsenijkundige politie tot stand, welke later herhaaldelijk werd gewijzigd en uitgebreid. Een inrichting, die dient om den toestand van den Nederlandschen veestapel te verbeteren, is de in 1904 opgerichte Rijksseruminrichting (zie Seruminrichting, Rijks).

Veeartsenijkundige politie of Veterinaire politie noemt men in het algemeen de maatregelen, die de Staat neemt om de uitbreiding van heerschende ziekten, welke van dien aaxd zijn, dat de bestrijding daarvan niet aan particulieren kan worden overgelaten, tegen te gaan. In alle landen van Europa bestaan tegenwoordig wetten en bepalingen, die daarop betrekking hebben. De eerste dergelijke verordeningen werden in 1514 uitgevaardigd te Venetië, vooral op aandringen van Fraeastoro, die de uitbreiding van de veepest wilde tegengaan door de gezonde dieren van de zieke af te zonderen. Eerst 2 eeuwen later, toen dezelfde ziekte weer hevig in Europa woedde, kwam men tot uitbreiding van deze maatregelen. De Italiaansche geneesheer Laneisi (1654) drong er op aan, dat men niet alleen de zieke, maar ook de verdachte dieren zou dooden. Dit werd het eerst toegepast in Engeland, kort daarna ook in Duitschland en Frankrijk, in 1768 voor het eerst in Vlaanderen. In ons land woedde de veepest voor het eerst van 1713—1719; toen werden er van overheidswege een aantal plakkaten uitgevaardigd, waarin o. a. een verbod van uitvoer, een verbod van slachten en begraven, voorschriften omtrent de behandeling van huiden enz. waren opgenomen. In 1799 werd er van staatswege een veefonds opgericht tot bestrijding van de runderpest, dat in 1809 ook voor de bestrijding van de schaapspokken werd aangesproken. Toen in 1813 de runderpest te Utrecht uitbrak, was het fonds, tengevolge van de beroeringen van den Franschen tijd, uitgeput; door de doortastende maatregelen van minister Falck gelukte het echter de ziekte tot Utrecht

Sluiten