Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der, welke den bodem bedekt. Hierin groeien de moerasplan ten welig, en vooral het riet voegt jaarlijks een rijke plantenmassa aan de reeds gevormde veenmodder toe. Zoo raakt de plas ten slotte geheel gevuld met een losse grondsoort, het laag veen, welks oppervlakte, in verband met de wijze van ontstaan, niet boven den waterspiegel kan uitsteken en geheel effen is. De duur van het proces is verschillend in verband met de diepte van het water en den plantenrijkdom. Nog steeds gaat in plassen de veenvorming voort, al wordt die in vele landen, zooals bij ons, door den mensch tegengegaan, doordat hij de planten uit de plassen wegvoert. Soms gebeurt het, dat de modderlaag op den bodem losraakt en gaat drijven. Men noemt dergelijke drijvende veenlagen drijftillen (zie aldaar).

De veenstoffen wisselen in de onderscheiden laagvenen af door de verschillende omstandigheden, waaronder de veenvorming plaats heeft, en door den verschillenden duur van het proces. Doch ook in hetzelfde laagveen vindt men van onder naar boven verschillende toestanden der veenstof.

Terwijl de hoogvenen in ons land in de diluviale O. helft liggen, treft men het laagveen in de alluviale W. helft aan, als een breede gordel, die de oudere gronden van het O. scheidt van de hedendaagsche zeebezinkingen en de duinen en geestgronden. De bodem, waarop het laagveen rust, bestaat uit zand of oude zeeklei en ligt in Holland grootendeels 4—4,5 m. A. P. Wijl in een meer van de uitgestrektheid, die de venen hier beslaan, en van deze diepte geen veenvorming mogelijk is, leidt men uit de aanwezigheid van laagveen af, dat vroeger het niveau der wateren ten opzichte van het land lager moet geweest zijn; ook konden alleen in dit geval de boomen groeien, waarvan de overblijfselen hier onder het laagveen worden aangetroffen.

Moerasveen, een overgangsvorm tusschen hoogen laagveen, is gewoonlijk slechts een paar d. m. dik en daardoor slechts bij uitzondering voor turfbereiding geschikt. Het is ontstaan uit sekgras, holpijpen, riet, elzenhout, berk, werf en gagel, bijna nooit zuiver, maar met zand, slib en humus dooreengemengd. Ten deele is het op moerassige plekken gevormd, grootendeels in ons land echter ontstaan in de stroomdalen der kleine rivieren, wier afwatering vroeger veel te wenschen overliet, zoodat zij gedurende een gedeelte des jaars ('s winters) ouder water stonden en in de zomermaanden droog lagen, waardoor de veenvorming telkens onderbroken werd. Als groenlanden worden deze veenstrooken voor de veeteelt gebruikt.

Ontginning. Ook hierbij moeten hoog- en laagveen afzonderlijk beschouwd worden.

Hoogveen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling besloeg het hoogveen in ons land een veel grootere oppervlakte dan thans, want het is vrij zeker, dat reeds de oudste bewoners begonnen zijn met het branden van veenplaggen en brokken gedroogd veen, vooral daar waar geen brandhout te verkrijgen was. Naarmate de bevolking in aantal toenam, dorpen en steden ontstonden, werd de vraag naar brandstoffen grooter en ten slotte werden kunstmatige waterwegen aangelegd om de uitgestrekte venen te kunnen bereiken. Vele venen zijn zoodanig afgegraven, dat er geen spoor meer van te ontdekken is, en het gebruik, dat de bewoners van den grond maakten, verhinderde nieuwe veenvorming.

De kaart der grondsoorten bij het artikel Nederland geeft de plaatsen aan, waar het hoogveen vooral werd aangetroffen en doet tevens zien, wat er van de vroegere hoogvenen nog over is gebleven. Het onvergraven hoogveen beslaat nog een oppervlakte van 35 250 H. A., waarvan alleen in Drente 21 340 H. A. liggen.

Oorspronkelijk ligt het hoogveen in uitgestrekte vlakten van duizenden hectaren aaneen en behoort aan verschillende eigenaren. Wil men nu deze venen ontginnen, dan worden de gronden volgens een plan van aanleg ingedeeld en daarbij tevens vastgesteld, waar hoofd- en zijkanalen, bruggen, vonders en waterleidingen gemaakt zullen worden. Om het hoogveen te kunnen bewerken, moet het eerst goed gedraineerd worden. Waar volgens het plan de hoofdwijken zullen komen, worden greppels gegraven van ongeveer 1 m. breedte en diepte in de as van de hoofdwijk (hoofdraaien) en rechthoekig daarop, op 10 m. afstand, zijgreppels (g r u p p e n). Daarna wordt het veen ter breedte van 20 m. aan weerszijden van den hoofddraai tot op den zandbodem tot turf gegraven. Dit geschiedt alleen met handkracht, waartoe steekschoppen en een bijzonder soort kruiwagens gebruikt worden. Al naar gelang der diepte wordt het veen bij lagen ieder van 4—7 turfdikten afgegraven en de turven op het naburige veen op rijen te drogen gezet. De arbeid in de veenderij is bijna uitsluitend stukwerk; de turf wordt per kub. m. gegraven. Een k.m. veen levert 115 turven (zoogenaamde lange turf). Nadat de zandbodem van veen is ontbloot, wordt met het kanaalgraven begonnen, zoowel tot afvoer van de gedroogde turf, als tot afwatering en tot aanvoer van alles wat de arbeiders noodig hebben. Langs de greppels ontstaan op dezelfde wijze de zijkanalen of wijken, om het veen in alle richtingen te kunnen bereiken, dat nu tot turf afgegraven wordt. Het te drogen zetten der turven geschiedt nagenoeg uitsluitend door vrouwen. Deze leggen de natte turven in lange rijen plat op het veld, zoodat ze na korten tijd een harde korst hebben gekregen; dan wordt er een tweede laag opgelegd en zoo vervolgens tot 11 lagen, waarbij de turf zóó gelegd wordt, dat de wind er flink tusschendoor kan waaien. De losse bovenlaag van het veen, bolster of bonkaarde, is niet voor verturving geschikt, maar wordt zorgvuldig ter zijde gelegd en 's winters gebruikt om de opstaande kanten van het onvergraven veen tegen de vorst te beschermen. Daaronder liggen de eigenlijke veenlagen, veelal drie in getal en doorgaans als grauwveen, bruinveen en zwartveen onderscheiden. De ondergrond bestaat uit zand en vormt den dalgrond, die vruchtbaar is te maken en dan als bouwland wordt gebruikt (zie Veemntginning). De tijd van het turfgraven is van 25 Maart tot einde Juni; lichte turfsoorten en turfstrooisel graaft men gedurende het geheele jaar. De jaarSjksche productie van lange turf bedraagt in ons land ongeveer:

Drente 1200 millioen stuks.

Overijsel 300 millioen stuks.

N. Brabant 100 millioen stuks.

Overige provincies 200 millioen stuks.

Geheel Nederland 1800 millioen stuks.

Sluiten