Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de staaf staat. Het bedrag der doorbuiging blijkt samen te hangen met de lengte en den vorm der staaf en met de wijze van ondersteuning (in één of beide eindpunten); in alle gevallen is zij echter evenredig met de belasting en omgekeerd evenredig met den elasticiteitsmodulus.

Eveneens voor de praktijk van groot belang is de elastische verandering door wringing of torsie (zie aldaar). Daarmede samen hangt de afschuiving, omdat men zich immers bij wringing kan voorstellen, dat de verschillende lagen van het getordeerde lichaam ten opzichte van elkander een zekere afschuiving hebben ondergaan. Volgens de wet van Hoóke moet de afschuiving evenredig zijn met de grootte der krachten, die haar veroorzaken. De verhouding tusschen de grootte dezer krachten, berekend per eenheid van oppervlak, en die der afschuiving geeft weder een elasticiteitscoëfficiënt, rigiditeit der stof geheeten. Voor een bepaalde grootte van het wringende koppel blijktnu degrootte der torsie samen te hangen met de rigiditeit. Ten slotte merken wij op, dat er tusschen de 3 elasticiteitscoëfficiënten van een vast lichaam, die wij hebben leeren kennen, verband bestaat, zoodat er slechts 2 van de 3 onafhankelijk zijn. Zijn zij bepaald, dan is ook daardoor de derde gegeven.

Bij gassen wordt de samendrukbaarheid beheerscht door de Wet van Boyle (zie Gassen). Hieruit en uit de definitie van een elasticiteitscoëfficiënt volgt, dat deze in getalwaarde gelijk is aan de drukking. Na vele vruchtelooze pogingen om de samendrukbaarheid van vloeistoffen aan te toonen, slaagden Canton (1762) en Perkins (1820) het eerst er in, dit door water te doen en haar ten naaste bij te bepalen. Oersted deed het in 1822 met behulp van den door hem geconstrueerden piëzometer. Intusschen mat hij toch slechts het verschil tusschen de werkelijke samendrukbaarheid en die van het vat, waarin de vloeistof was opgesloten. Itegnault verbeterde zijn methode, waarna vooral Grassi de proeven met groote zorgvuldigheid herhaalde. Het blijkt, dat de volumevermindering van een vloeistof evenredig is met het aanvankelijk volume en den druk en met een elasticiteitscoëfficiënt, den coëfficiënt van samendrukbaarheid, welke afhankelijk is van den aard der vloeistof. Hij verandert bovendien met de temperatuur en den druk.

Veersche Gat of Veergat noemt men het getijdewater tusschen de eilanden Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, dat eenmaal met het Sloe de verbinding vormde tuschen Wester- en Ooster Schelde, totdat door den spoordam tusschen Z. Beveland en Walcheren Sloe en Veersche Gat werden gescheiden en daarmede ook de vrije, natuurlijke verbinding tusschen Ooster- en Wester Schelde ophield te bestaan. Omstreeks de llde eeuw zou het Veergat nog niet bestaan hebben, in de 17ae eeuw bezat het daarentegen een drukke scheepvaart en in verband daarmede was Veere een aanzienlijke koopstad. In de 18de eeuw begon het water te verzanden en verloor Veere daardoor meer en meer zijn beteekenis; tegenwoordig wordt het Veersche gat weinig meer en alleen voor de kleine scheepvaart gebruikt.

Veeteelt noemt men de kunstmatige, op bepaalde regels steunende fokkerij van die huisdieren, welke den gemeenschappelijken naam van vee dragen. Zij tracht zulke dieren in het leven te

roepen, die in een of ander opzicht van het meeste nut zijn, terwijl zij door een gepaste voeding en behandeling de gunstige eigenschappen tracht te vermeerderen. Men fokt paarden, inzonderheid als werkdieren, verder ter wille van de sport; runderen om hun melk, hun vleesch en hun vet, ook wel om hen als trekdier te bezigen; schapen om hun wol, hun vleesch en vet en varkens om hun vleesch en spek. Elk der genoemde huisdieren vormt een afzonderlijke soort. Dieren behooren tot dezelfde soort, wanneer zij met elkander paren en vruchtbare jongen voortbrengen. Tusschen sommige dieren van een verschillende soort, zooals paarden en ezels, is bevruchting mogelijk; de jonge dieren, bastaarden geheeten, zijn echter in den regel onvruchtbaar. Een standvastige verscheidenheid der soort draagt den naam van ras. Men kan de verschillende rassen der huisdieren verdeelen in twee groote groepen. Men vindt in sommige streken zoodanige, die er sedert onheugelijken tijd in denzelfden toestand hebben verkeerd, zooals in Opper-Silezië en Lithauen de kleine paarden, in Spanje de merino's en in Galicië en Polen de lioogpootige varkens. Zulke rassen noemt men natuurrassen. Naast deze heeft men de cultuurrassen, namelijk zoodanige, die door den invloed van den mensch tot een hoogeren trap van ontwikkeling zijn gebracht en in een of ander opzicht boven de natuurrassen uitmunten. Men verbetert de natuurrassen vooral door verpleging en voeding en bepaaldelijk door de veredelde dieren met elkander te doen paren, ten einde in de jongen den aanleg voor de gewenschte verbetering in dubbele mate terug te vinden. Wanneer de veredelde dieren weder onder minder gunstige omstandigheden komen, verliezen zij de aangekweekte eigenschappen weer. Tusschen de natuur- en cultuurrrassen heeft men de halfrassen. Eindelijk onderscheidt men bij de veeteelt de familie, namelijk de gezamenlijke afstammelingen van hetzelfde vrouwelijke dier. Hoewel nu de dieren van hetzelfde ras zich door eigenaardige eigenschappen onderscheiden, heeft toch ieder dier evenzeer zijn bepaalde kenmerken. Deze waar te nemen en te beoordeelen, is een hoofdzaak voor den veefokker en veehouder, daar hij juist zoodanige dieren moet weten te kiezen, welke het meest aan zijn doel beantwoorden. Sommige kenmerken zijn eigen aan den leeftijd; bij het jonge dier zijn de ledematen lang in verhouding tot den romp, tanden en horens zijn niet ontwikkeld, de haren hebben soms een andere kleur enz., en toch moet de veefokker kunnen zien, wat uit het jonge schepsel groeien zal. Brengt men ouderdom en geslacht niet in rekening, dan dient men te bepalen, welke de beste lichaamsvorm is voor het doel, waartoe men het dier wil bezigen, zoodat bijv. voor de paarden geheel andere eigenschappen in aanmerking komen dan voor de runderen. Daarenboven let men op de fijnheid, den adel, den voorspoedigen groei enz. De eigenschap van fijnheid kent men toe aan een dier met dunne, lichte beenderen, een losse, dunne, weeke huid, weinig haar, een kleinen kop en dimne ledematen. In het omgekeerde geval noemt men een dier grof. Vrouwelijke dieren zijn steeds fijner dan de mannelijke. Melk- en slachtvee moet fijn wezen, maar men vordert die eigenschap niet van trekvee, en overdreven fijnheid in een mannelijk fokdier even-

Sluiten