Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

min. Een huisdier wordt als edel beschouwd, wanneer het de gewenschte eigenschappen in de hoogste mate bezit of ook wanneer het van zuiver bloed is, wat bijv. door de stamboeken der paarden wordt aangewezen. Een belangrijke eigenschap is voor vele doeleinden de voorspoedige groei of de vroegrijpheid, welke verkregen wordt door reeds vóór de geboorte aan de moeder en na de geboorte aan het jonge dier een overvloed van doelmatig voedsel te bezorgen en het door zorgvuldige verpleging tegen eiken ongunstiger) invloed te beveiligen. Het vroegrijpe dier is doorgaans betrekkelijk groot; het heeft een breede borst, een breeden rug, een ruim bekken, gewelfde ribben, een kleinen kop en schrale pooten. Men geeft bij zulk een dier aan den vorm van den romp den naam van parallelogramvorm, omdat bijv. bij het shorthornrund een rechthoekig parallelogram kan getrokken worden, waarvan de bovenste lijn van het begin van den staart naar de schoft en de onderste langs den buik loopt. Dergelijke figuren verkrijgt men ook bij de dwarse doorsneden van het Southdownschaap en van het Engelsche zwijn. De aanleg tot vroegrijpheid is erfelijk, doch wanneer zij zich bij het jonge dier zal vertoonen, dan moeten dezelfde gunstige voorwaarden aanwezig zijn als bij het moederdier. De vroegrijpheid heeft een nadeeligen invloed op de vruchtbaarheid. De fijnheid en vroegrijpheid ontstaan hoofdzakelijk door een uitstekende vertering en omzetting van het ontvangen voedsel. Overerving is een eigenschap van alle wezens, die het vermogen bezitten zich voort te planten; het is echter niet bekend, volgens welke wetten zij plaats heeft. Zoo weet men niet welke eigenschappen van den vader, welke van de moeder afkomstig zijn. Daarenboven heeft men toevallige eigenschappen, die licht weder verloren gaan, maar ook wel eens duurzaam zijn bij de nakomelingschap, zooals wij zien in het muachampsras der merinosohapen en in de hoornlooze runderen. Ook verschillende ziekten kunnen erfelijk worden bij het vee; ook atavisme komt voor. Zooveel mogelijk gelijke dieren geven bij paring jongen met dezelfde eigenschappen, terwijl de eigenaardige eigenschappen van sterk verschillende dieren bij de jongen elkander aanvullen. Terwijl sommigen meer waarde hechten aan een zuivere afstamming, meenen anderen, dat de individueele eigenschappen van elk fokdier een grooteren invloed hebben. In het algemeen zal men verstandig doen aan beide waarde te hechten. Het fokken kan plaats hebben met dieren van dezelfde rassen en met dieren van verschillend ras. Dit laatste noemt men kruising. Men kan de eigenschappen, die dieren door kruising hebben verkregen, constant maken, wanneer men dergelijke dieren met elkander laat paren. Wanneer de gewenschte eigenschappen gedurende eenige generaties bi] een ras zijn blijven bestaan, spreekt men van een voïbloedras, een naam, die oorspronkelijk alleen bij de teelt van Engelsche renpaarden werd •gebruikt, üaljbloed noemt men afstammelingen van volbloed en andere dieren. Zie ook de artikelen over de afzonderlijke huisdieren, als Rund, Paard, Schaap enz. en het hoofdstuk Veeteelt bij het artikel Nederland.

Veevoeding;. Het voedsel, dat de huisdieren gebruiken, onderscheidt men in onderhoudsvoedsel,

dat dient om de levensverrichtingen te doen voortduren, en productievoedsel, waardoor het dier in staat gesteld wordt arbeid te verrichten, of een of ander produkt (melk, vleesch, wol, vet enz.) voort te brengen. Wat de physiologische waarde van de voeaermiddelen betreft, onderscheidt men: hoofdvoedsel, dat overeenkomt met het natuurlijke voedsel van de dieren, krachtvoedsel, dat enkele voedingsstoffen in een groote hoeveelheid bevat, en bijvoedsel, dat weinig voedingswaarde heeft, doch tot vulling van de maag of een ander doel noodig is. De chemische analyse onderscheidt: water en droge stoffen; de laatste bestaan uit stikstofhoudende en stikstofvrije organische stoffen en minerale stoffen. Tot de eerste behooren: eiwitstoffen en amiden, tot de tweede ruw vet, ruwe vezels en stikstofvrije extractiefstoffen, vooral koolhydraten.

De voedermiddelen kan men tot verschillende groepen brengen. Tot het groenvoer behooren in de eerste plaats de verschillende soorten grassen. Hun voedingswaarde hangt af van de botanische gesteldheid van de plant, de voorwaarden, waaronder zij opgegroeid zijn, de tijd en de wijze, waarop zij geoogst worden enz. Jongere grassen bezitten een hooger percent aan voedingsstoffen, vooral aan stikstofhoudende bestanddeelen, bij oudere gewassen neemt het vezelgehalte toe. De verschillende klavergewassen bevatten veel eiwit en kunnen bij herkauwers als krachtvoeder dienst doen. Groene wikken bezitten een hoog eiwitgehalte. Groene maïs, dat rijk aan stikstofvrije extractiefstoffen is, is voornamelijk als bijvoeder voor melkkoeien geschikt, evenals de akkerdistel en de bladeren van beetwortelen en suikerbieten, die het best na ensilage (zie aldaar) gevoerd worden wegens hun groot gehalte aan oxaalzuur. Als groenvoeder komen verder in aanmerking bladeren van wortels sommige koolsoorten en gedroogde bladeren van verschillende boomen, deze laatste inzonderheid voor schapen. Hooi, stroo en kaf, dat behalve door de voedingswaarde inzonderheid van belang is als maagvullend voedsel, noemt men ruwe voedermiddelen.

Door een bijzonderen rijkdom aan stikstofvrije extractiefstoffen, een hoog watergehalte en het ontbreken van ruwe vezels onderscheiden zich de knolen wortelgewassen. Terwijl de knolgewassen, waarvan in de eerste plaats de aardappel in aanmerking komt, veel stikstofvrije extractiefstoffen en wel zetmeel bevatten, vormt suiker het hoofdbestanddeel van de wortelgewassen (beetwortel, suikerbiet, wortel enz.).

Geconcentreerde voedermiddelen zijn de korrels van graansoorten en de peulvruchten, die rijk zijn aan stikstofhoudende voedingsstoffen en vooral als krachtvoeder van belang zijn. Haver wordt gegeven aan paarden, herkauwers en varkens, gerst en maïs aan herkauwers en varkens, maïs ook aan gevogelte en werkpaarden, boekweit inzonderheid aan varkens; erwten en boonen vormen een belangrijk krachtvoedsel voor werkdieren en mestdieren.

Wikken en lupinen worden wegens hun bitteren smaak niet door alle dieren gegeten. Eikels, paardekastanjes en acaciavruchten geeft men aan schapen en varkens.

Een belangrijke groep van voedermiddelen

XV

30

Sluiten