Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wikkelingsflesch treden. Ook dit voorkomt de veiligheidsbuis, doordat de buitenlucht 9 door haar in de gasontwikkelings-

flesch binnenstroomt. Een gewijzigde vorm is afkomstig van Welter (fig. 2). Deze bestaat uit een tweemaal Uvormig omgebogen buis, welke aan het ééne uiteinde een trechter draagt, evenals de zooeven vermelde. Het andere uiteinde eindigt echter terstond onder de kurk. In het middelbeen is een bol geblazen. Een gedeelte daarvan en van den trechter, alsmede de buis, die beide verbindt, is gevuld met een vloeistof, welke als beweeglijke afsluiter dient. Neemt de druk van het gas toe, dan verzamelt zich de vloeistof in den trech¬

ter. waarna het gas ontwijkt; neemt

Veiligheids- de druk af, dan verzamelt zij zich in buis. den bol, waarna de buitenlucht toetreedt.

Veiligheidsklep noemt men de klep, welke aan vaten met inwendigen druk (stoomketels, drukluchtreservoirs enz.) zijn aangebracht en die zich, zoodra de inwendige druk een zeker bedrag te boven gaat, automatisch naar buiten openen, om zich, zoodra de druk weder tot de toegelaten spanning is gedaald, weder te sluiten. Veiligheidskleppen worden met gewichten of veeren belast. Deze werken rechtstreeks of door middel van een hefboom op de klep, waarvan het kleine afsluitvlak plat of kegelvormig is. De gewone veiligheidskleppen bestaan uit een eenarmigen hefboom, waaraan de kegelvormige klep en een gewicht zijn bevestigd. Terwijl nu de inwendige druk de klep van boven tracht te verplaatsen, geeft het gewicht daaraan een tegengestelde beweging. Door gepaste keuze van grootte en plaats van het gewicht kan men aldus bereiken, dat bij een bepaalden overdruk de klep in werking treedt. Daar de klep zich echter slechts weinig verplaatst en dus ook maar weinig stoom enz. laat ontwijken, is de mate van veiligheid tegen plotselinge, al te groote drukvermeerdering gering. Dit bezwaar wordt ondervangen door de veiligheidsklep met groote verplaatsing, waarbij reeds bij een drukvermeerdering van 1/2—3/i atmosfeer de klep zóó ver wordt opgeheven dat bijna de volle doorsnede van de uitstroom¬

opening vrij komt. Veiligheidskleppen met rechtstreeksche veerbelasting bestaan uit een spiraalveer, welke aan den éénen kant tegen een traverse

aan den anderen kant tegen den met de drukstift

verbonden drukplaat rust. De traverse kan langs schroefbouten met behulp van moeren versteld worden; de drukstift drukt tegen de klep. Deze

soort veiligheidskleppen vinden veelvuldige toepassing.

Veiligheidslamp, Lamp van Davy of Davyne. Zie Mijnbouw.

Veiligheids-toestellen noemt men toestellen, welke dienen om ongelukken zooveel mo¬

gelijk te voorkomen. Zij worden aangebracht op

grond van wettelijke voorschriften, op de overtreding waarvan bepaalde straffen gesteld zijn. De veiligheidstoestellen zijn gedeeltelijk van algemeenen aard, zij hebben gedeeltelijk betrekking op enkele machines of op deelen daarvan. Tot de

eerste behooren bijv. de inrichtingen in gebouwen

tegen brandgevaar, de seintoestellen, en remmen bij het spoorwegwezen enz. De andere hebben de strekking om eenerzijds in de nijverheid en in de bouwvakken de behandeling van machines, stellingen enz. zooveel mogelijk gevaarloos te maken, van den anderen kant beoogen zij de schadelijke gevolgen van het bedrijf voor de arbeiders te ondervangen. Zoo dienen bijv. bij een stoomketel talrijke li nip toestellen, zooals de veiligheidsklep enz., als veiligheidstoestellen. Bewegende machinedeelen worden opgesloten in kasten van gaas of

achter traliewerk; riemen worden, terwijl ae machine blijft loopen, opgelegd en afgenomen met behulD van een riemopleeger enz. Tot de veilig¬

heidstoestellen, welke ten doel hebben om de scha¬

delijke gevolgen van het bedrijf als geheel te verminderen, behooren bijv. stofbrillen, respiratoren of inhalatiemaskers, stofzuigers, veiligheidslampen, gepaste kleeding enz.

Veiligheidswet is de naam der wet van 20 Juli 1895 (Stbl. n° 137), houdende bepalingen tot beveiliging bij het verblijven in fabrieken en werkplaatsen. Zie verder Arbeidswetgeving.

Veiling van vruchten en groenten. Deze bij uitstek Nederlandsche verkoopswijze werd voor het eerst toegepast te Broek op Langendijk in 1887 en korten tijd daarna nagevolgd door de Vereeniging Westland te Monster. De handel in de genoemde tuinbouwproducten was vóór dien tijd in geen enkel opzicht georganiseerd. De verkoop had plaats bij elke hoeveelheid op de markt, langs de huizen der consumenten door de tuinbouwers zelf, of aan agenten van Nederlandsche handelshuizen. Soms werd ook door de kweekers in consignatie naar het buitenland verzonden.

Op een veiling worden de tuinbouwvoortbrengselen in 't openbaar bij afslag verkocht. De veiling wordt doorgaans door het bestuur eener vereeniging kosteloos geleid, terwijl het een boekhouder op kosten der vereeniging aanstelt. Eens per week wordt het ontvangen geld den tuinbouwers uitbetaald. Crediet wordt niet of zeldzaam gegeven en dit laatste alleen, wanneer het bestuur den koopman goed kent. De tuinbouwers betalen enkele procenten, meestal 2—4 voor deze wijze van verkoop, waaruit alle onkosten, aan de veiiing verbonden, bestreden worden.

Men onderscheidt groote, kleine, verplichte, vrije, droge en groene veilingen.

Groote veilingen dienen alleen voor den verkoop van vruchten en groenten, geschikt voor export. Deze producten worden vaak alleen op monster verkocht.

Kleine veilingen dienen ter voorziening der steden in ons land. Waar de tuinbouw zich pas begint te ontwikkelen, zijn ze ook op haar plaats. Verplichte veilingen omvatten een groep van tuinbouwers, die zich tegen elkander verplichten al hun tuinbouwvoortbrengselen of alleen die, welke voor export geschikt zijn, ter veiling aan te voeren.

Vrije veilingen beteekenen combinaties met veel losseren bouw, zoodat ze veel gemakkelijker op te richten zijn, doordien de tuinbouwers vrij blijven hun producten al of niet ter veiling te brengen.

Droge veilingen treft men alleen in streken aan, waar bloembollen voor den handel gekweekt worden. Ze ontleenen haar naam aan het feit, dat hier

Sluiten