Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

king een vereeniging van gescheiden deelen te bevorderen, of eindelijk om schadelijke invloeden van buiten af te weren. Naar die verschillende doeleinden worden de verbanden verdeeld, verder naar de wijzen, waarop zij worden aangelegd, in windsel-, doek-, onbewegelijke verbanden enz. (Zie de afb. 1—11). Windsel- of zwachtelverbanden verdeelt men in eenvoudige en samengestelde. Sommige dragen de namen van personen, zooals: „de muts van Hippocrates" of van de lichaamsdeelen, waar-

Fig. 11.

Mitella of draagdoek.

voor zij bestemd zijn, zooals: het hoofd-, oog-, borst-, liesverband enz. Een onbewegelijk verband is een zoodanig, waarbij de verbandstukken door middel van een vaste of vast wordende stof vereenigd worden, zoodat zij niet kunnen verschuiven. Sinds de moderne wondbehandeling spelen de antiseptische middelen, zooals jodoform e. a., een groote rol in de verbanden.

De goedkoopste verbandstof is jute, die zich echter, evenals de watten, met de afscgeidingen der wond samenpakt en dus het wegvloeien van deze belemmert. De beste, maar ook de duurste verbandstof is gaas. Zie verder Verbandstoffen.

Verbandleer of Desmologie is dat onderdeel van de heelkunde (zie aldaar), dat zich met het aanleggen van verbanden, den aard en de hoedanigheden van de daarbij gebruikte stoffen enz. bezighoudt. Zie Verband.

Verbandstoffen noemt men de materialen, welke voor de behandeling van wonden noodig zijn. Sedert de antiseptische en aseptische wondbehandeling hebben zij een volkomen verandering ondergaan, terwijl ook haar aantal zeer is uitgebreid. Tegenwoordig gebruikt men gaas, linnen, mousseline, flanel, watten en jute, verder ook turfmolm, houtwol enz., welke in stoom gesteriliseerd of met antiseptische middelen (jodeform-, sublimaat-, carbolgaas enz.) doortrokken worden. Bij de keuze van verbandstoffen komt, vooral bij groote wonden, haar vermogen om de wonduitscheidingen op te zuigen en zonder belangrijke ontleding tot aan het verwisselen van het verband vast te houden, in aanmerking. Voor ziekenhuizen en oorlogsdoeleinden is in het algemeen haar prijs een beletsel voor veelvuldige toe¬

passing. Vandaar dat men er zich op heeft toegelegd om de dure watten te vervangen door goedkoopere stoffen (houtwol, turf- en mosvezels).

Verbanning'. Zie Deportatie.

Verbascnm. Zie Toorts.

Verbeek, Rogier Diederik Marius, een Nederlandse!) geoloog en mineraloog, geboren den 7den April 1845 te Doorn, studeerde te Delft en legde in 1866 met goed gevolg het examen af voor aspirant-mijningenieur in Nederlandsch-Indië, waarheen hij in 1867 vertrok. Daar was hij achtereenvolgens werkzaam op Borneo, Sumatra, Java, Banka, Billiton en in de Molukken. Hij doorliep de verschillende rangen en werd in April 1889 benoemd tot hoofdingenieur, chef der afdeeling Mijnwezen. De hoogeschool te Breslau benoemde hem wegens zijn groote verdiensten inl885totdoctor honoris causa; de Nederlandsche regeering schonk hem de ridderorde van den Nederlandschen Leeuw. In Juni 1901 kreeg hij op verzoek eervol ontslag uit 's Lands dienst. Zijn voornaamste wetenschappelijke geschriften zijn verschenen in het „Jaarboek voor het Mijnwezen". Bovendien zagen nog van hem het licht: „Kort verslag van de uitbarsting van Krakatau, op 26, 27 en 28 Augustus 1883" (1884), „Krakatau. Uitgegeven op last van Z.E. den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië" (2 gedeelten 1884, 1885. Hiervan verscheen in 1886 ook een Fransche uitgaaf), „Topographische en geologische beschrijving van een gedeelte van Sumatra's Westkust" (Met atlas (1883), „Geologische beschrijving van Banka en Billiton" (Met atlas 1897), „Het Billiton-debat in de Tweede Kamer" (1892), „Kolonisatie in de tropen" (1894), „Geologische beschrijving van Java en Madoera" met R. Fennema. (2 dln. met atlas, 1897).

Verbeelding. Zie Verbeeldingskracht.

Verbeeldingskracht is het vermogen om voorstellingen en begrippen, die in de ziel aanwezig zijn, zoodanig te rangschikken en te verbinden, dat daardoor nieuwe voorstellingen en begrippen ontstaan. Zij staat in nauw verband met het herinneringsvermogen of geheugen (zie aldaar); het verschü bestaat daarin, dat verbeelding nieuwe voorstellingen en begrippen vormt, terwijl het geheugen vroeger ontvangen voorstellingen en begrippen bewaart, die teruggeroepen kunnen worden. De beelden van de eerste zijn nieuw, die van de laatste beantwoorden aan vroegere. De grens is echter niet scherp te trekken, daar van den eenen kant de door het geheugen gereproduceerde beelden nooit volkomen aan de door de gewaarwording zelf ontstane voorstellingen beantwoorden, terwijl van den anderen kant de door de verbeeldingskracht gevormde voorstellingen ' samengesteld worden uit in de ziel aanwezige en door het geheugen bewaarde beelden. Het vermogen om reeds ontvangen beelden terug te roepen, wordt door sommige zielkundigen terugroepende verbeeldingskracht genoemd; anderen beschouwen dit vermogen niet als een soort verbeelding, doch identificeeren het met het herinneringsvermogen. Tegenover deze terugroepende verbeeldirg staat de scheppende of combineerende verbeelding, waarbij de nadruk op het vormen van nieuwe beelden wordt gelegd. Dit is de verbeelding in engeren zin, die ook phantasie wordt genoemd. Daar de verbeelding steeds uitgaat van in de ziel aanwezige voor-

Sluiten