Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vereenigde Staten, Letterkunde van de. Van een eigenlijke letterkunde van de Vereenigde Staten is eerst na de Revolutie sprake, haar oorsprong das teekent echter uit vroegere eeuwen. Als het eerste Araerikaansche werk beschouwt men wel een in 1608 door John Smith uitgegeven beschrijving van zijn reis naar Virgii.ia; dit boek vertoont evenwel de duidelijke sporen, dat het door een Engelschman geschreven is, die slechts vluchtig de Amerikaansche toestanden heeft leeren kennen. Meer aanspraak kan het in 1640 in Massachusetts geschreven „Bay psalm book", een Puriteinsche omwerking van de psalmen, daarop maken. Tot denzelfden tijd behooren de geschiedenis van de Plymouthkolonie van gouverneur Bradjord en van Nieuw-Engeland van gouverneur Winthrop, welke werken weinig meer dan kronieken zijn. De Nieuw-Engelsche lyriek begint met de „Contemplations" van Anne Bradstreet (f 1672), een verbinding van natuurpoëzie en godsdienst. Karakteristiek voor den sterk dogmatischen godsdienst van Nieuw-Engeland is de „Day of Doom" (1662) van Michael Wigglesworth. De godsdienstige literatuur bereikte haar hoogtepunt bij Increase Mather (f 1723) en Cotton Mather (f 1728). Het werk van Jonathan Edwards 1758) over den vrijen wil verwekte ook in Schotland en Engeland veel opzien. Jonathan Dickinson leverde een aantal aardrijkskundige en geschiedkundige beschrijvingen (1696). Philadelphia was reeds vroeg de zetel van een aantal geleerde mannen, zooals de taalgeleerde James Logan, de wiskundige George Keith, de plantkundige John Bartram en de sterrenkundigen David Rittenhouse en Thomas Godjrey. Thomas Godfrey jr. schreef het eerste Amerikaansche drama: „The priace of Parthia."

De tijd van den strijd met Engeland (1765—1816) wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door strijdschriften. Gedeeltelijk staat deze periode onder den invloed van de Fransche encyclopaedisten. De antiEngelsche en de Fransche richting zijn beide vertegenwoordigd in Thomas Paine (f 1809) met zijn „Common sense", „Rights of man" en „Age of reason." De meest populaire schrijver uit dezen tijd is Benjamin Franklin (f 1790), die wegens zijn veelzijdige werkzaamheid als boekdrukker, uitvinder, staatsman en schrijver als het eerste type van den echten Amerikaan wordt beschouwd. Vooral zijn autobiografie moet genoemd worden. Onmiddellijk na de Revolutie verschenen onder den titel „The federalist" essays van Alexander Hamilton, James Madison en John Jay. Een van de uitstekendste denkers was Thomas Jefjerson. Tot de voornaamste dichters behooren: Philipp Freneau (f 1832), Timothy Dwight (f 1817), Joel Barlow (} 1812), John Trumbull (} 1831), Hugh Henry Breckenridge (-j-1816), Francis Hopkinson (f 1842) en Francis Scott Key (1843), de voornaamste romanschrijver is Charles Brockden Brown (f 1810). Verder noemen wij Suzanna Hasweïl Éowson (f 1824). Een geschiedenis van de Amerikaansche boekdrukkunst schreef Isaiah Thomas (f 1831), een biografie van Washington John Marshall (f 1835). Uitstekende reden aars uit dit tijdperk waren: James Olis, Samuel Adams, Patrick Henry, Richard Henry Lee en Fisher Ames.

De derde periode van de Amerikaansche letterkunde reikt tot het einde van den Burgeroorlog

(1865). De literatuur bloeit aanvankelijk het meest in de midden staten, vooral in de steden Philadelphia en New-York. Washington Irving (f 1859) is de eerste Amerikaan, dit tot de wereldliteratuur behoort. Onder het pseudoniem Diedrich Knickerbocker schreef hij een geschiedenis van New-York, verder een geschiedenis van Granada, een biografie van Colurtibus en een aantal korte vertellingen, verzameld in zijn,, Sketchbook." Hij is het hoofd van de zoogenaamde Knickerbockerschool. Andere novellisten uit dezen tijd zijn James Kirke Paulding (f 1860), Charles Fenno Hofmann (f 1884), Susan Warner (pseudiem Elizabeth Wetherell) en Miriam Coles Harris. De meest populaire romanschrijver is James Fennimore Cooper (f 1851), de voornaamste dichters zijn Fitz-Greene Holleek (f 1867), Joseph Rodman Drake (f 1820), Charles Fenno Hofmann, Thomas Buchanan Read, Washington Allston, Charles Godfrey Leiand, William Cullen Bryant en Bayard Taylor. De belangrijkste metrische vertalingen zijn de Homerusvertaling van Bryant en de Faust van Taylor. Vooral in het buitenland is Walt Whitman (f 1892), uit wiens gedichten een eigenaardige wereldbeschouwing spreekt, bekend geworden. Het drama werd o. a. beoefend door George H. Boker (f 1890). Essays schreven voornamelijk Irving Nathaniel Parker Willis, George William Curtins en George P. Morris, werken over letterkundige geschiedenis Evert A. Duyckink (f 1878), George L. Duyckink (f 1863)" en Richard Grant White (1885).

In de tweede helft van deze periode verplaatst het letterkundig overwicht zich naar Nieuw-Engeland en wordt Boston het centrum van het literaire leven. Hier werkten de dichters Ralph Waldo Emerson (f 1882), Henry Wadsworth Longfellow met zijn gevoelvolle gedichten, waaronder de idyllische epen „Evangeline" en „The courtschip of Miles Standish", en zijn drama „Spanish student", James Russell Lowell (1891), John Gremleaf Whütier{f 1892), Oliver Wendell Holmes (f 1894), die ook uitstekende essays en psychologische romans gaf, James Gales Percival, John Godfrey Saxe, Richard Henry Dana, Lydia Maria Childs en Charles Sprague, waarvan velen ook op een ander gebied werkzaam waren. Harriet BeecherStowe (f 1896) schreef haar wereldberoemden roman „Uncle Toms Cabin", Nathaniel Hawthorne (f 1864) zijn uitstekende romans en novellen. Van de overige romanschrijvers noemen wij: John Neal, Catherine Sedgwick, Richard Henry Dana, William Ware, Theodore Winthrop en Sylvester Judd. De essays van Emerson hebben op het opgroeiend geslacht veel iuvltied gehad. Verwant met Emerson is Henry David Thoreau (f 1862), uit wiens werken vooral in het autobiografisch fragment „Walden", een eigenaardige levensbeschouwing en veel liefde voor de natuur spreekt. De geschiedenis vond beoefenaars in George Bancroft (f 1891), Francis Parkman (f 1893), William Hickling Prescott (-j1859), John Lolhrop Motley (f 1877), die vooral Nederland tot voorwerp van studie nam, John Gorham Palfrey en anderen, de letterkundige geschiedenis in Edward Everelt (1865), George Ticknor, Harry Theodore Tuckermann (f 1871) en Edwin Percy Whipple (f 1886). Eerstgenoemde is ook beroemd wegens zijn redevoeringen, evenals Daniël Webster (f 1852), Wendell Phillips (f 1884), Charles

Sluiten