Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den mijnbouw en de visscherij 7 112 987; bij handel en verkeer 4 778 233, in dienst van bijzondere personen 5 691 746; in andere beroepen 1 264 737 personen werkzaam, terwijl 28 938 678 personen, waarvan 22,94 millioen vrouwen, zonder beroep waren.

Landbouw. Het belangrijkste middel van bestaan is de landbouw. In 1900 telde men er 5 739 372 boerenhoeven met 335,6 millioen H. A. oppervlakte, waarvan echter slechts 166 millioen H. A. bebouwd waren. De nog onbebouwde oppervlakte wordt op 3,5 millioen v. km. berekend, waarin echter ook de ontoegankelijke woeste gronden begrepen zijn.

Volgens de Homestead-lawheeit elk Amerikaansch burger recht op 32V2—65 H. A. land, wanneer hij het bebouwt en daarvoor 200 dollar betaalt. Groot grondbezit komt weinig voor. De bodem is in de oostelijke staten gedeeltelijk uitgeput en moet kunstmatig verbeterd worden, tengevolge daarvan wordt het zwaartepunt van den landbouw steeds

meer naar het W. verplaatst. In het W. moet de bodem grootendeels kunstmatig besproeid worden. Het voornaamste produkt is maïs, waarvan in 1906 op ongeveer 40 millioen H. A. meer dan 2927 millioen bushel geoogst werden. Het grootste deel wordt in het land zelf verbruikt. Het wordt vooral verbouwd in Jowa, Illinois, Missouri, Kansas, Nebraska, Indiana en Texas. Tarwe komt vooral voor in Minnesota, de beide Dakota's, Californië, Ohio, Kansas, Indiana, Washington en Pennsylvanië; in 1901 werd er van 22 millioen H. A. 748,5 millioen bushel geoogst. In 1902 werd op 12 millioen H.A. 987 millioen bushel haver verbouwd, vooral in Iowa, Minnesota, Illinois, Wisconsin en New-York, rogge (1902: op 800 000 H. A. 33,6 millioen bushel) kwam vooral voor in New-York, Pennsylvanië en Wisconsin, gerst (1906: op 180 000 H. A. 179 millioen bushel) in Californië, Minnesota, Iowa, Wisconsin, de beide Dacota's en New-York. In 1906 werd voor 186,5 millioen broodstoffen uitgevoerd. Voor katoenteelt werd in 1905 ruim 11 millioen H. A. gebruikt, waarvan 13,6 millioen balen verkregen werden, vooral in de staten Texas, Georgia, Mississippi, Alabama, Zuid-Carolina en Louisiana. De uitvoer (66—71% van de totale productie) had in 1906 een waarde van 401 millioen dollar. Tabak wordt inzonderheid gekweekt in Kentuckv. In 1906 bedroeg de geheele oogst 682 millioen pond, de uitvoer bedroeg 34,2 millioen dollar. Suikerriet komt het meest voor in Louisiana (1902 : 310 000 ton), suikerbieten in Colorado, Michigan en Californië, ahornsuiker voornamelijk in Vermont. De rijstbouw leverde in 1904 900 millioen pond, vooral afkomstig uit Louisiana en ZuidCarolina. Het voornaamste land voor den wijnbouw is Californië, daarop volgen New-York, Virginië, Ohio en Missouri. In 1903 bedroeg de opbrengst 34 millioen gallons. De aardappeloogst leverde in 1904 332,8 millioen bushel, de hopoogst in 1906 385 000 balen. In de meeste staten is de ooftbouw zeer ontwikkkeld, vooral in Californië. Er worden inzonderheid appels, perziken, pruimen, peren, kersen en abrikozen gekweekt, in Californië ook oranjeappels, olijven, amandelen enz. In 1904 werden er 40,1 millioen pond tomaten en 2,6 millioen pond ingemaakte maïs verzonden.

Veeteelt. In 1906 bestond de veestapel uit 18,7 millioen paarden, 3,4 millioen muilezels, 66,9 mil¬

lioen runderen, 50,6 millioen schapen en 52,1 millioen varkens. Doordat de landbouw zich steeds verder uitbreidt, verplaatst de veeteelt zich meer en meer naar het W. De uitvoer van produkten van de veeteelt had in 1906 een waarde van 211 millioen dollar. Er werden 30 977 639 varkens, 7 147 835 runderen, 10 875 339 schapen en 1 568 130 kalveren geslacht en verzonden. De wolproductie, rooral van de staten in de Rocky Mountains, is «eer belangrijk (1905 : 299 millioen pond), toch wordt er nog veel wol ingevoerd (1906: voor 39,1 millioen dollar). In 1900 werd er 1492, 7 millioen pond boter en 299 millioen pond kaas vervaardigd. De uitvoer daarvan is, evenals de uitvoer van levende dieren, zeer belangrijk. Verder moet de teelt van gevogelte en eieren genoemd worden (1900: voor 144,3 millioen dollar).

Visscherij. In 1900 bedroeg de opbrengst van de vischvangst 94,4 millioen dollar; vooral in Massachusetts, Maryland, New-York, New Jersey, Virginië, Californië, Oregon, Alaska en Maine is zij van veel belang. In de Chesapeakebaai en in de Long-Islandsound worden veel oesters gevangen, op de banken bij Maine en New-Foundland veel kabeljauw, haring en makreel. Walvisschen, zeehonden en otters vangt men bij Californië, Alaska en Washington. Bij Florida worden sponsen gevischt. De groote meren leveren jaarlijks ongeveer voor 2,5 millioen dollar visch, daarvan komt voor 1 millioen op Michigan.

Boschbouw. De voor boschbouw gebruikte oppervlakte wordt, zonder Alaska, op 196 millioen H. A. geschat. Daar het boschwezen echter niet wettig geregeld is, en veel roofbouw wordt uitgeoefend en de meeste bosschen aan particulieren behooren, neemt de woudriikdom af en bestaat

er gevaar voor het uitsterven van kostbare houtsoorten. In den laatsten tijd echter heeft de Unie zich het bezit van uitgestrekte boschdistrikten verzekerd; hiertoe behooren ook parken als het Yellowstone National Park, het Yosemitetal en het Sequoia National Park. Het houtverbruik in de Vereenigde Staten zelf wordt od 25 000 millioen

kubieke voet geschat, de waarde van de produkten van de houtzaagmolens op 566,8 millioen dollar.

Mijnbouw. De waarde van de mijnbouwprodukten van 1905 bedroeg 1651,5 dollar, de produktie van steenkool, ijzererts, koper, lood, petroleum en natuurgas overtreft die van alle andere landen, terwijl die van goud, zilver, kwikzilver en zink andere geheel of bijna geheel met die van andere landen gelijkstaat.

In 1905 bedroeg de opbrengst van de steenkool 352,7 millioen ton ter waarde van 532,7 millioen dollar. Men onderscheidt verschillende bekkens, n.L het anthracietbekken van Nieuw-Engeland, dat van Pennsylvanië, het Appalachisch steenkolenveld, het steenkolenveld van Michigan, het centrale steenkolenbekken in de staten Illinois, Indiana en Kentucky, het Missouri-steenkolenveld, het RockyMountainveld en het Pacificveld in de staten Washington, Oregon en Californië. Buitendien treft men nog anthraciet aan in Colorado, Nieuw Mexico en Nebraska. In 1905 werd er 176 millioen H. L. petroleum geproduceerd. Zij komt vooral voor in Pennsylvanië tusschen het Eriemeer en de AUeghanies, in New-York, West-Virginië en het Z. O. van Ohio. Deze streek wordt het Appalachisch

Sluiten