Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwarming met middelbaren druk wordt uitgevoerd volgens de beginselen van die met lagen of die met hoogen druk. In het eerste geval zijn de kosten geringer, maar in het tweede bereikt men, door vermindering der warmtestraling, een meer aangename verwarming.

De stoomverwarming gebruikt waterdamp als warmteoverbrenger. Zij kan alleen worden toegepast. als van uit één centraal punt een groot ge-

Fig. 3.

schillende richtingen over ongeveer 200 gebouwen verdeelt. De buizen zijn omgeven met asbest en vilt en opgesloten in houten kokers. Zij worden evenals gas- en waterleidingbuizen gelegd en hebben op onderlinge afstanden van 30m. expansieventielen. In de buizen doorloopt de stoom radiatoren, waaruit hij wegvloeit als water van bijna 100° C., dat verder in de huishouding kan worden aangewend. De omvangrijkste distriktsverwarming in Europa bevindt

Fig. 4,

Warmwaterverwarming.

bouw of een gebouwencomplex moet verwarmd worden. Hoogdrukstoomverwarming, waarbij de drukking tot 5 atmosferen bedraagt, wordt slechts weinig toegepast, daar het gevaar voor lekkage in de buizen hier groot is. Laagdrukstoomverwarming daarentegen wordt veelvuldig aangewend, wegens de betrekkelijk geringe kosten van aanleg en het gemakkelijke en ongevaarlijk gebruik.

De verschillende genoemde wijzen van centrale verwarming worden dikwijls met elkander verbonden tot een zoogenaamde vereenigde verwarming.

Lengtedoorsnede.

Ketel van Liebau.

Zoo gebruikt men naast de luchtverwarming ook de stoom- en waterluchtverwarming, waarbij in de stookruimte stoom- resp. waterverwarmers worden opgesteld. Bij grootere gebouwen maakt men ook van een stoom-water-luchtverwarming gebruik of van stoom-waterverwarming.

Een bijzondere vorm van centrale verwarming is de distriktsverwarming, waarbij men den stoom door een in den grond gelegd buizennet naar ver-

zich te Dresden. De grootste afstand van de warmtebron bedraagt 1,25 km., het warmteverlies in de leiding bedraagt 4—4,5%, terwijl het condensatie water, voor zoover niet verbruikt, met een temperatuur van 80° C. weder naar de centrale terugkeert, waar het gebruikt wordt voor de voeding der ketels.

Verwarmingstoestellen. Zie Verwarming.

Verweering noemt men de verandering, welke mineralen en gesteenten ondergaan door mechanische of chemische invloeden, meestal door samenwerking van beide. Als hoofdfactoren, welke bij

de mechanische verweering de gesteenten aantasten, vallen te noemen: vooreerst sterke temperatuurwisselingen, waardoor de mineralen alsook de gesteenten voortdurend uitzetten en weer inkrimpen met het gevolg, dat er scheuren ontstaan. Vooral in heete, plantenlooze streken (woestijnen) werkt deze factor sterk. Hier springen menigmaal de gesteenten onder hevige knallen uit elkander. In de tweede

plaats de vorst, die op hoogere breedten en in hooggebergten het gesteente vernielt, doordat het water dat spleten en scheuren vult, bij het bevriezen sterk uitzet. Ten derde de planten, wier wortels in spleten dringen en deze, al groeiende, meer en meer verwijden. In de vierde plaats de bliksem, die evenwel van geringen en zeer beperkten invloed is. Bij de chemische verweering oefenen vooral zuurstof, koolzuur en water invloed uit, echter ook de planten, wier

Dwarsdoorsnede.

Sluiten