Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haard met het eeuwige vuur, bestemd voor de toebereiding der staatsoffers. Het aanhouden daarvan was de voornaamste bezigheid der Vestaalsche Maagden (zie aldaar). Op iederen lstei1 Maart werd het opnieuw aangemaakt door het wrijven van een stuk hout van een vruchtboom. In het binnenste van den tempel bevond zich de Penus (voorraadskamer) Vestae, waar het palladium en andere gewijde voorwerpen bewaard werden. De voornaamste feesten dezer godin, de Vestalia, werden op den 9dcn Juni gevierd. De Romeinsche vrouwen trokken dan barrevoets naar den tempel ter bedevaart, om aan den heiligen haard spijsoffers in eenvoudige schotels te brengen.

Vesta. Zie Asteroïden.

Vestaalsche Kaagden heetten de 6 priesteressen van Vesta-, zij vertegenwoordigden de huisvrouw aan den Romeinschen staatshaard. Tot de vereischten der maagden behoorde, dat zij niet ouder dan 10 jaar en niet jonger dan 6 jaren waren en een onberispelijken lichaamsbouw bezaten. De beide ouders moeten vrij en in leven zijn en in Italië wonen. Alleen bepaalde familie-omstandigheden konden iemand ontheffen van de verplichting, zich aan den dienst van Vesta te wijden. Elke Vestaalsche maagd bleef gedurende 30 jaar daaraan verbonden; 10 jaar om den dienst te leeren, daarna 10 jaar om hem te verrichten en eindelijk 10 jaaromhem te onderwijzen. Na verloop van dien tijd kon zij ontslag krijgen en in het huwelijk treden. Haar plichten bestonden in het onderhouden van het eeuwige vuur in den tempel, in het bewaken van de heiligdommen, in het brengen van offeranden het doen van dagelijksche gebeden voor het welzijn van den staat, alsmede in de toebereiding van de reinigingsmiddelen voor bepaalde feesten. Schennis der kuischheid werd sedert Tarquinius Priscus gestraft met levend begraven op het Campus sceleratus, en het laten uitgaan van het heilige vuur met geeselslagen. De Vestaalsche maagden genoten de hoogste achting, waren onschendbaar en konden door hare tegenwoordigheid elk wanbedrijf verhinderen, terwijl aan een misdadiger, die, op weg naar het schavot, een Vestaalsche maagd ontmoette, genade geschonken werd. Zij hadden het recht, in een wagen door de stad te rijden, hadden een eereplaats in den schouwburg en werden, als zij den tempel verlieten, door een lictor voorafgegaan. Hare kleeding bestond uit een lang wit gewaad en een witten voorhoofdband (infula) met lange linten (vittae); bij het offeren, waarbij de oudste, de virgo vestalis maximalis, de voornaamste handeling verrichtte, was haar gezicht met een witten sluier (suffibulum) bedekt. Gratianus hief de instelling in 382 n. Chr. op.

Vesting noemt men een versterkte plaats, die zonder hulp van buiten tegen een vijandelijke macht verdedigd kan worden. Hiertoe wordt vereischt, dat zij in alle richtingen krachtig kan vuren, ontoegankelijk is voor een bestorming, veilig voor een verrassing en voor een verwoesting van uit de verte; ook moet er gelegenheid bestaan den vijand terug te werpen, wanneer het hem gelukken mocht op een of ander punt binnen te dringen, en moet men in staat zijn de overige deelen te handhaven. De rol, die de vestingen spelen, is in den loop der tijden een andere geworden; thans moeten zij inzonderheid belangrijke wegen en grenzen beveiligen of afsluiten, en legers een veilige plaats aanbieden. Om een uit¬

gestrekt gebied te beschermen bedient men zich van vestinggroepen.

De wijze van versterking en de keuze van de verdedigingsmiddelen zijn,in verbandmetde veranderde cultuurtoestanden van de volkeren, in den loop der tijden sterk gewijzigd. Een ingrijpende verandering bracht de uitvinding van het buskruit. Zoolang de aanvaller op de stootkracht (stormram en dergelijke toestellen) of slingerkracht (werptoestellen) aangewezen was, bestonden de vestingen hoofdzakelijk uit muurwerk, dat zoo hecht mogelijk werd'gebouwd. De versterkingen uit de Oudheid en de Middeleeuwen bestaan hoofdzakelijk uit hooge, dikke muren, achter wier kroon de verdedigers zich bevonden, en torens, die de muren beheerschten. Na de uitvinding van het buskruit konden de ongedekte muren van uit de verte verwoest worden, terwijl noch de muurkroon noch de torens ruimte genoeg aan den verdediger voor het geschut aanboden. Men legde toen voor of achter de muren een aarden wal met een borstwering aan, waar het geschut opgesteld werd. Later plaatste men de muren op den rand van een breede en diepe gracht; in plaats van de torens ontstonden basteien, later bastions (zie aldaar) genoemd. In het laatst van de 15ae eeuw ontwikkelde zich in Italië het zoogenaamde Oud-Italiaansche of bastionstelsel van versterking, dat weldra over geheel Europa werd verbreid. Daaruit kwam in het midden van de 16de eeuw het NieuwItaliaansche stelsel voort, waarbij de fronts verkort werden, terwijl de bastions de hoofdstellingen van de verdedigers werden. Tijdens den Tachtig-jarigen oorlog ontstond in ons land het Nederlandsche stelsel, dat door grachten, wallen zonder muren en talrijke buitenwerken gekenmerkt werd; dit werd in de 17de eeuw door Coehoom verder ontwikkeld. Bij de Nieuw-Italiaansche verdediging sluit zich het Fransche stelsel aan (Vauban). Door de invoering van het getrokken geschut in de 2de helft van de 19de eeuw ontstond een geheele omkeer in den vestingbouw, die aanleiding gaf tot het Pruisisch- Duitsche stelsel. Ook dit moest echter herhaaldelijk gewijzigd worden in verband met de nieuwe uitvindingen op krijgskundig gebied. Zie verder Fort, Versterkingskunst, Vestingoorlog en het hoofdstuk Het verdedigingsstelsel van Nederland bij het artikel Nederland.

Vesting-geschut. Zie Geschut.

Vestingoorlog is de aanduiding van het geheel der verrichtingen, welke de aanval en verdediging van duurzaam versterkte punten met zich mede brengen. Reeds de oudste geschriften bevatten hierover mededeelingen. Men drong met behulp van ladders of door een bres in de wallen de vesting binnen. Daarbij was het dus te doen om een aanval op korten afstand, terwijl men thans met een aanval op grooten afstand begint, welke dikwijls reeds tot het gewenschte doel leidt. De oude cultuurvolkeren gingen alle op ongeveer dezelfde wijze te werk. De aanvallers bedekten de verdedigers op de muren met een regen van pijlen, om aldus den bestormers die zich met hun schilden dekten, het werk te vergemakkelijken. De Perzen brachten nieuwe elementen in de belegeringskunst. Zij hadden verplaatsbare torens en schietwerktuigen. De Grieken ontwikkelden haar verder door den bouw van contravallatieliniën van aarde, pallissaden enz., die, aangelegd op een afstand, welke in overeenstemming was met

Sluiten