Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de draagwijdte der schietwapenen, dienden om den aanval op korten afstand met de belegeringswerktuigen te dekken. Van deze noemen wij de draagbare beschermingsdaken, verplaatsbare torens, waaruit een valbrug op den muur werd neergelaten enz. De verdedigers trachtten de houten belegeringswerktuigen in brand te steken, vooral echter door talrijke uitvallen bet voortdringen van den belegeraar te bemoeilijken. Liet het zich aanzien, dat de pogingen om een bres te maken zouden slagen, dan werd achter het bedreigde punt een nieuwe versterking gemaakt, welke dikwijls tot een nieuwe belegering dwong.

Deze wijze van verdediging is ongeveer 2 000 jaar in zwang geweest. Een geheele verandering onderging zij door de invoering van het geschut. Het belegeringsmateriaal moest op grooteren afstand of gedekt worden opgesteld. Omstreeks 1450 wierp men met dit doel reeds een loopgraaf op en spoedig daarop plaatste men het geschut op een afstand van 400—600 m. achter een borstwering. Intusschen ontbrak toch in het algemeen bij den aanval elk vast stelsel. Dit werd eerst door Vauban geschapen. Nadat de insluiting van de plaats door een bestorming met cavalerie was ingeleid, werden de circum- en contravallatieliniën en daarna, op 600— 600 m. afstand van de vesting, de eerste parallel gebouwd. Zij dienen om uitvallen af te slaan, de troepen te kunnen vereenigen en het aanleggen van ricoschietbatterijen mogelijk te maken. Op halven afstand werd dan de tweede parallel met de demonteerbatterijen en aan den voet van het glacis de derde parallel aangelegd, waarin de batterijen van mortieren een plaats vonden. Het couronnement vormde dan de laatste infanteriepositie; hierin waren de contra- en de bresbatterijen opgenomen, van waar uit men langs de contrescarpe en de gracht de bres kon naderen. Deze methode hield zich tot in den nieuweren tijd staande en vond bijv. nog bij de belegering van Straatsburg (1870) in hoofdzaak toepassing. Sedert men echter door invoering van geschut met zeer groote draagwijdte en vuursnelheid de verdedigingsmiddelen reeds op grooten afstand kan vernielen, wordt zij niet meer toegepast. Vooral ook de verandering in den vestingbouw leidde tot groote wijzigingen in den vestingoorlog.

Wat den aanval betreft, is in den modernen vestingoorlog een overrompeling in het algemeen niet meer mogelijk. Uitzonderingen zijn, ondanks de moderne verdedigingsmiddelen, denkbaar, maar er is veel toe noodig, voordat zulk een onderneming tegen een versterkte stelling of tegen een fortvesting kans heeft van slagen. Bij een stelselmatigen aanval op een versterkte positie heeft eerst een verkenning van de vijandelijke stellingen, van het terrein enz. plaats. Onder dekking van infanterie tracht men dan gunstige artillerieposities te bemachtigen. Het geschutgevecht, dat dikwijls dagen lang duren kan, moet eerst het weerstandsvermogen van de bezetting breken, waarna tot den aanval zelf kan worden overgegaan. Intusschen blijft ook dit een zeer moeilijke onderneming. Bij een fortvesting hangt de keuze van den aard van den aanval eenerzijds af van het aantal troepen en strijdmiddelen, anderzijds van de positie der vesting. Is de bezetting talrijk, dan zal gewoonlijk een insluiting van langen duur door uithongeren tot het doel leiden. Een beschieting, resp. bombardement van de door forten niet voldoende

gedekte stad kan door haar materieele en moreele uitwerking de onderneming ondersteunen. Bij een werkelijke belegering komt de bevelhebber voor de taak te staan om alle belegeringsbehoeften aan te voeren. Terwijl bij den aanval op versterkte stellingen de middelen der veldartillerie voldoende waren wordt hierbij het zwaarste geschut vereischt. Bovendien moet een regelmatige toevoer van ammunitie en proviand plaats hebben. Is dit alles geregeld, dan begint men met het afsnijden van de verbindingen te land en te water van de vesting, waarop de zoo nauw mogelijke, zij het ook briten het vuur van de vesting blijvende insluiting volgt. Ondertusschen nemen de verkenningen een einde en wordt het plan tot den aanval gemaakt. Hebben alle deelen van den belegeringsdienst hun plaatsen ingenomen, dan komt het er op aan, de beschermingspositie voor de artillerie in te nemen, wat een flinke verdediging niet licht zal toelaten. Daarmede begint de actie van de infanterie van het belegeringscorps. De artillerie heeft tot eerste taak het geschut van de verdediging tot zwijgen te brengen. Daarna moet zij het voortrukken en stelling nemen van de infanterie dekken. Deze heeft zich inmiddels in de eerste infanteriepositie, ongeveer op de plaats van de vroegere parallel, op 700 m. afstand van de vesting genesteld en een achterwaartsche verbinding door loopgraven gemaakt. Van hier gaat het zigzagswijze vooruit naar de tweede infanteriepositie en verder naar de bestormingspositie. De artillerie tracht intusschen de flankeeringswerken en de hindernissen te vernielen en den hoofdmuur te openen. Gelukt zulks niet voldoende, dan moeten schachtmijnen gelegd worden, terwijl eindelijk uit de actie van de verdediging wordt afgeleid, wanneer tot de bestorming kan worden overgegaan.

Evenals bij den aanval onderscheidt men ook bij de verdediging een drietal gevalllen. Een afzonderlijke, vaste post moet voor alles waakzaamheid betrachten. De werkzaamheden moeten geregeld en ieder gereed zijn om zoodra alarm geblazen wordt zijn plaats in te nemen. De verdediging van een versterkte stelling beschikt reeds over meer middelen, om de nadering van den vijand te vernemen. Men zendt voortroepen uit langs de toegangswegen, welke zij echter niet behoeven te verdedigen. Worden deze teruggedreven, dan treft men de laatste maatregelen voor de verdediging. Daar men dikwijls eerst in den loop van het gevecht te weten komt, op welke punten de vijand voornamelijk zijn aanval richt, komt het er op aan, om de hoofdreserven en de volle actie derartillerie daar tijdig te kunnen concentreeren. Bovendien moet de verdediging er op uit zijn om, zoodra de richting van den aanval duidelijk geworden is, in deze richting het aantal hindernissen te vermeerderen. Een fortvesting kan in vredestijd van al het benoodigde voorzien worden. De overgang van den vredes- in den oorlogstoestand, de bewapening, wordt volgens het bewapeningsplan uitgevoerd. Het bezettingsplan verdeelt de bezetting, waarin alle wapens vertegenwoordigd zijn, over de verschillende punten. Voor de verdediging is nu de periode, waarin het er op aan komt om het aanleggen van de eerste infanteriepositie te verhinderen, de meest belangrijke. Van grootbelang is daarbij de onderbroken werking van het geschut. Gelukt het den aanvaller niet, dit tot zwijgen te brengen, dan kan hij deze positie slechts onder

Sluiten