Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leen het suspensief veto, terwijl in de Vereenigde staten van N. Amerika het recht van veto van den president vervalt, wanneer in beide Kamers het besluit een meerderheid van 2|3 heeft verworven. In Zwitserland is door het referendum het recht van veto aan het volk zelf toegekend.

Vetplanten (Crassulacaea) is de naam van een plantenfamilie, die zich vooral onderscheidt door vleezige, saprijke bladeren, welke veelal een rolronden vorm bezitten. Het aantal kelkslippen, bloembladeren en meeldraden wisselt af tusschen 3 en 20. De bloembladeren en meeldraden zijn steeds op den kelk ingeplant. Het aantal stampers is zoo groot als dat der bloembladeren, en ieder eierstok wordt door een schubbetje ondersteund. De vrucht is een kokervrucht met twee of meer zaadkorrels; de bloemen zijn tot eindelingsche bijschermen of opgerolde bloeitoppen vereenigd. De vetplanten groeien in de gematigde luchtstreek van alle werelddeelen, meestal op droge, rotsachtige plaatsen. Enkele soorten behooren tot de sierplanten, en van sommige zijn de kruidachtige deelen eetbaar. Tot deze familie behooren de geslachten Crassula, Sedum en Sempervivum. Voor zoogenaamde „mozaiekvakken", „tapijtperken," worden ze veel gebruikt. Zij blijven laag en dienen daarom ter afscheiding van blad- of bloemplanten. Gedurende den winter worden ze in koude, vorstvrije kas of dito bak bewaard. De vermeerdering geschiedt door stekken van de bladeren, waaraan de houtige voet blijft zitten om rotting te voorkomen.

Vetstaart of Veistuitstaart. Zie Schaap.

Vetten is de naam van een aantal stoffen, welke door haar natuur- en scheikundige eigenschappen scherp gekarakteriseerd zijn. Zij bevatten ongeveer 76,5% koolstof, 12% waterstof en 11,6% zuurstof en behooren tot de meest verspreide en belangrijke bestanddeelen van planten en dieren. Zij komen, althans in sporen, in alle plantenweefsels en in alle dierlijke organen voor en worden ook in alle dierlijke vloeistoffen, met uitzondering van de normale urine, aangetroffen. Plantenvet komt in het inwendige der cellen en, in grootere hoeveelheden, in kiembladeren en zaden, bij olijven in het vruchtvleesch voor. In het dierlijk organisme treedt het vet, gewoonlijk opgesloten in eigen cellen, in grootere hoeveelheden op in het bindweefsel, onder de huid, in het net van de buikholte, om de nieren, in het beenderen- en zenuwmerg, de hersenen, de lever en de melk. Als ziekteverschijnsel komt het voor in het zoogenaamde vetgezwel en bij de vettige ontaarding van de verschillende weefsels. Plantenvet verkrijgt men uit het verkleinde, somtijds bovendien verwarmde ruwmateriaal door persen, door uitkoken met water en ook door extraheeren met oplosmiddelen, zooals benzine en aether. Dierlijke vetten verkrijgt men door persen, meestal echter door uitsmelten der weefsels, met of zonder water.

De vetten zijn bij gewone temperatuur vast{talg), week (boter) of vloeibaar (olie). Zuivere vetten zijn kleur-, reuk- en smaakloos; die, welke in de natuur voorkomen, zijn dikwijls door bijmengselen gekleurd en hebben een eigenaardigen reuk en smaak. Zuivere vetten reageeren neutraal en zijn lichter dan water, waarin zij niet oplossen. Wel lossen zij op in aether, zwavelkoolstof en benzine, sommige

ook in alkohol. Zij smelten beneden 100° C. en herkrijgen somtijds hun oorspronkelijke hardheid slechts langzaam. Alle vetten zijn niet vluchtig, en beginnen bij ongeveer 300° C., onder ontleding, te koken, waarbij als meest karakteristiek produkt acroleïne ontstaat. Zuivere vetten zijn aan de lucht meer of minder duurzaam of „drogen", onder zuurstofopname, in, terwijl de niet drogende vetten aan de lucht en het licht snel zuurstof opnemen en ranzig worden. Dit laatste gebeurt nooit bij afsluiting van de lucht, terwijl het bij vrij toetreden daarvan alleen onder inwerking van het licht schijnt plaats te hebben. De in de natuur voorkomende vetten zijn, afgezien van verontreinigingen, mengsels van glvceriden, zooals palmitine, stearine en obïne.

De vetten vormen voor het dierlijk lichaam één der onmisbaarste voedingsmiddelen. Zij dienen ter vervanging en vermeerdering van de stof daarvan en leveren door hun oxydatie in het lichaam warmte en arbeidskracht. Daarnaast vinden zij voor tal van praktische doeleinden toepassing, zooals bij de bereiding van zeep, kaarsen, olieverven, als verlichtings-, verwarmings- en smeermiddel enz.

Vetter, Jacóbus Augusiinus, een Nederlandsch krijgsman, werd den 2den December 1837 te 's Gravenhage geboren, trad in 1853 als soldaat bij het Instructiebataljon te Kampen in dienst en werd in 1859 benoemd tot 2ien luitenant bij betNederlandsche leger, in 1860 als zoodanig bij het leger in Nederlandsch-Oost-Indië, waarin hij opklom tot luitenant-generaal. In dien rang was hij commandant van het leger en chef van het Departement van Oorlog in Nederlandsch-Indië van 1895 tot 1897. Hij nam in Indië aan verschillende belangrijke krijgsverrichtingen deel, o.a. van 1861 tot 1863 in de Z. en O. afdeeling van Borneo, van 1864 tot 1866 en van 1884 tot 1885 in de Westerafdeelng van Borneo. Ook was hij vele jaren in Atjeh. In 1894 leidde hij de expeditie in Lombok en in 1896 werd hij tot Regeerings-commissaris in Atjeh benoemd. In 1897 werd hij op verzoek gepensionneerd en keerde hij naar het vaderland terug. Hij is commandeur van de Militaire Willemsorde en van de orde van den Nederlandschen Leeuw.

Vettori (Latijn: Victorius), Piero, een Italiaansch taalgeleerde, geboren te Florence in 1499, werd door zijn vaderstad met verschillende zendingen belast, nam aan haar verdediging tegen de Keizerlijken (1529—1530) deel en legde zich daarna op de studie van Latijnsche en Grieksche schrijvers toe. Benoemd tot hoogleeraar in de oude talen, kwamen uit geheel Europa leerlingen naar Florence. Hij moet beschouwd worden als de grondlegger der tekstcritiek, als hoedanig hij verschillende uitgaven van de werken van oude schrijvers bezorgde. Zijn methode treedt het best aan het licht in zijn „ Yariarum lectionum libri XXXVIII" (1553 en 1559, 1682). Hij overleed in 1585 te Florence. Zijn briefwisseling, waarvan een groot gedeelte nog onuitgegeven is, komt, met een aantal van zijn lessen, voor in „Epistolarum libri X, Orationes XIV et liber de laudibus Joanae Austricae" (1586).

Vetzucht (Adipositas of Lipornatosis, ook Pimelosis of Polysareia geheeten) noemt men een al te overvloedige opeenhooping van vet in het geheele lichaam (algemeene vetzucht, corpulentie, obesitas, of lipornatosis universalis) of in sommige organen (partiëele vetzucht, lipornatosis partiatis).

Sluiten