Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn geschriften droegen er toe bij, dat met name de wijsbegeerte van Kant meer in Frankrijk bekend werd. Het meeste opzien baarde zijn „Essai sur 1'esprit et 1'influence de la reformation de Luther etc." (5de druk, 1851), door het Nationaal Instituut in Frankrijk bekroond. Wegens zijn „Lettre a Madame la comtesse Fannv de Beauharnais sur Lubeck" (3de druk, 1808), "waarin hij mededeelingen deed van de gruwelen, in 1806 hij de bestorming van Lubeck gepleegd, werd hij in 1811, na de vereeniging van Lubeck met Frankrijk, uit deze stad verbannen, waarop hij de betrekking aanvaardde van hoogleeraar in de Fransche letterkunde te Göttingen. Toen echter Hannover weder onder de vroegere regeering kwam, ontving hij zijn ontslag. Van zijn geschriften vermelden wij nog: „Coup d'oeil sur les universités" (1808) en „Coup d'oeil sur 1'état de la littérature ancienne et de 1' histoire en Allemagne" (1809). Hij overleed den 269ten Februari 1815 te Göttingen.

Villette, la is het N. O. stadsgedeelte van Parijs, gelegen in het 19de arrondissement en aan de ceintuurbaan. Het bezit een haven, een veemarkt en een slachthuis, fabrieken voor ijzer, papier- en glaswaren en een groot bassin, dat deel uitmaakt van het Ourcqkanaal.

Villiaume, Nicolas, een Fransch geschied- en staathuishoudkundige, geboren den 12den Augustus 1818 te Pont-a-Mousson, studeerde te Parijs in de rechten, vestigde zich eerst als advocaat te Nantes en in 1847 te Parijs, waar hij bij de Februariomwenteling van 1848 gewond werd. In 1849 verdedigde hij voor het Hof te Versailles de beschuldigden van den 13den Juni en later in 1852, de tegenstanders van den staatsgreep van den 2den December. Zijn eerste werk, „Histoire de la Révolution de 1789" (4 dln., 3de druk, 1863) een verheerlijking der Bergpartij, baarde groot opzien. Onder het tweede keizerrijk wijdde hij zich geheel aan de studie der staathuishoudkunde, over welk onderwerp hij schreef: „Nouveau Traité d'économie politique" (2 dln. 2de druk 1864) en „L'esprit de la guerre" (5dc druk, 1867), L'Espagne et ses chemins de fer" (1861) en „La politique moderne" (1873). Op geschiedkundig gebied publiceerde hij nog „Histoire de Jeanne d' Are" (1863). Hij overleed den 9den Augustus 1877.

Villiers, Charles P., een Engelsch staatsman, geboren den 19den Januari 1802 te Londen, vestigde zich aldaar in 1827 als advocaat en werd in 1835 naar het Lagerhuis afgevaardigd door Wolverhampton, welk distrikthij meer dan 60 jaar onafgebroken vertegenwoordigde, zoodat men hem den „vader" ervan noemde. Met Colden en Bright bestreed hij in het parlement de graanwetten, waardoor hij zijn aandeel bijdroeg tot de overwinning van den vrijhandel in Engeland. Van 1852—1859 was hij advocaat-generaal voor Schotland en sedert 1853 lid van den Geheimen Raad. Hij overleed den 16den Januari 1898 te Londen.

Villiers de 1'Isle-Adam, Philippe Auguste Mathias, comte de, een Fransch schrijver, geboren den 7den November 1840 te Saint-Brieuc (Bretagne), had in het begin met zijn „Premières Poésies" (1858) en zijn treurspelen weinig succes. Eerst door het tooneelspel in één bedrijf „La Révolte" (1870) vestigde hij de aandacht op zich. In een wedstrijd verwierf zijn treurspel „Le Nouveau Monde"

(1880) den eersten prijs, maar op het tooneel vol deed het niet. Zijn beste werk bestond uit dichterlijk-phantastische vertellingen, waarin zijn schitterende stijl geheel tot zijn recht kwam. Wij noemen daarvan: „Contes cruels" (1883), „Akédysséril" (1885) en „Histoires insolites" (1888). De toekomstroman „Eve future" (1886), ofschoon door zijn bewonderaar» uitbundig geprezen, vond, evenals de satire op het kleinburgerdom „Tribulat Bonhomet" (1887), bij het groote publiek geen gunstig onthaal. Eenig succes had in het Théatre libre het paradoxale tooneelspel in één bedrijf „Evasion" (1887). Hij overleed den 18den Augustus 1889 te Parijs. Na zijn dood werden zijn beste vertellingen als „Histoires souveraines" (Brussel, 1899) vereenigd.

Villiers-sur-Marne, een plaats in het Fransche departement Seine-et-Oise, op 2 km. afstand van den linker Manieoever, aan den spoorweg Parijs—Nancy gelegen en deel uitmakende van de buitenste verdedigingslinie van Parijs, telt (1906) 2247 (als gemeente 2552) inwoners. Het is bekend door de gevechten van den 30sten November en den 2den December 1870 tusschen de Franschen en de Duitschers. De eersten verloren daarbij ongeveer 10 000, de laatsten bijna 6000 man.

Villing'en, een arrondissementshoofdstad in het groothertogdom Baden, op een plateau van het O. lijke Zwarte Woud, aan den Brigach gelegen, is een kruispunt van spoorwegen en bezit een Evangelische en 2 R. Katholieke kerken, een oud stadhuis, een gymnasium, een ambachts- en een muziekschool, een seminarium voor onderwijzers en een landbouwwinterschool. Van de talrijke takken van nijverheid, welke er worden uitgeoefend, noemen wij: ijzer- en klokkegieterijen, fabrieken van uurwerken en muziekdoozen, weverijen van zijden lint, leerlooierijen, bierbrouwerijen, fabrieken van majolica, speelgoed enz. De plaats, welke (1905) 9582 inwoners telt, drijft een levendigen handel in graan en meel. In de nabijheid bevinden zich de ruïnen Kurneck, Warenburg en Schlöszlebühl.

Villing-er, Eermine, een Duitsch schrijfster, geboren den 6den Februari 1849 te Freiburg, schreef, in het begin onder den schuilnaam Hermine Wilfried, de romans: „Doris" (1880) en „Die Livergnas" (1882), het blijspel „Verloren und Gewonnen" (1883) en een aantal novellen en vertellingen, waarvan wij noemen: „Aus dem Kleinleben" (4de druk, 1907), „Aus meiner Heimat" (2de druk, 1896), „Schwarzwaldgeschichten" (1892), „Unter Bauern" (1894), „Kleine Lebensbilder" (3de druk, 1900), „Aus unsrer Zeit" (1897), „Das dritte Pferd"(1899), „Allerlei Liebe" (1901), „Der neue Tag" (1903), „Mutter und Tochter" (1904) en „Simplicitas" (1906). Vooral haar vertellingen kenmerken zich door fijnen humor en bondigen stijl.

Villoison, Jean Baptiste Gaspard cCAnsse de, een Fransch taalgeleerde, geboren den 5den Maart 1753 te Corbeil-sur-Seine, begaf zich in 1778 op last der regeering naar Venetië, om de handschriften der bibliotheek van St. Marcus te onderzoeken en publiceerde er „Anecdota Graeca" (2 dln., 1781), alsmede den beroemden codex van den „Ilias" van Homeros met de scholia en de critische aanteekeningen der Alexandrijnsche geleerden (1788). Daarop vertoefde hij geruimen tijd te Weimar, waar zijn „Epistolae Vinarienses" (1783) ontstonden, en bezocht van 1785 tot 1788 de eilanden en het vaste

Sluiten