Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meld, bouwde Galton den grondslag van dezen tak van onderzoek op. Hij verdeelde de vingerafdrukken naar bepaalde typen in klassen en toonde aan, dat de bijzonderheden der lijnen, welke het type bepalen, gedurende het gelïeele leven van den mensch onveranderd blijven. Zijn systeem der dac.tyloskopie schijnt om verschillende redenen boven de Bertillonage (zie aldaar) te verkiezen en is dan ook thans in een groot gedeelte van Europa en in Britsch- Indië in gebruik.

Forgeot en Paul vonden verder methoden om de latente sporen van naakte voeten en handen op hout, glas, tapijten enz. zichtbaar te maken, waardoor men door vergelijking met de vingerafdrukken uit het archief somtijds aanwijzingen omtrent den misdadiger kan verkrijgen.

Vinger dier en (Chiromyidae) is de naam van een onderfamilie van de halfapen (zie Aap), waartoe slechts één geslacht (Chiromys) en één soort, de at aï of chiromys madagascariensis behoort. Dit dier, dat een zeer eigenaardig voorkomen heeft, bezit een lengte van 45 cm., waarbij nog een staart van 55 cm. komt. Het heeft een zeer grooten kop, groote, naakte ooren, kleine, strakke, gewelfde oogen, zeer lange, dunne vingers met klauwachtige nagels en breede duimen met platte nagels aan de voorpooten. Het gebit gelijkt op dat van de knaagdieren. De pels is bruinachtigzwart, het gezicht roodachtig vaalgrijs, de borstelige staartharen zijn donker, hi] heeft stevige haren boven de oogen en is aan de mondhoeken zwart. De aï aï is een nachtdier, dat de bamboeswouden van Madagascar bewoont. Het is zeer lichtschuw en traag in zijn bewegingen, het voedt zich met het merg van bamboes- en suikerriet en met insekten.

Vingergras is de Nederlandsche naam voor het plantengeslacht Panicum. Zie aldaar.

Vingerhoedskruid (Digitalis L.\ zie de platen bij Giftplanten) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Scrophulariaceecn. Het onderscheidt zich door een 5-deeligen, onregelmatigen kelk, een klokvormige bloemkroon met een scheven, 5-lobbigen zoom, door meeldraden, die op den bloembodem zijn ingeplant, met van elkander afwijkende helmknoppen en door een 2-hokkige, 2-kleppige doosvrucht. De belangrijkste soort is het vingerhoedskruid (D. purpurea L.) met een gemiddeld 1 m, hoogen stengel, die, evenals de bladeren, met een grijsachtig vilt is bedekt, en hangende, tot een éénzijdige aar vereenigde, van binnen aan de onderlip rood en wit geteekende bloemen. Het komt vooral in bergachtige streken in de bosschen voor, wordt in de tuinen als sieraad gekweekt, maar behoort tot de gifplanten. De werkzame bestanddeelen van deze plant zijn digitonine, digitaline, digitaline (de beide laatste von glucosidisch kar rakter) en digitoxine. Alle vier stoffen hebben dezelfde werking als hartgift, verlangzamen n.L den slag. Ook neemt men bij inwendig gebruik een verwijding der pupil en storende werking op het darmkanaal waar. Digitonine werkt het zwakst, digitoxine het sterkst, terwijl digitaline en digitaleïne in de plant het meest voorkomen.

Vingers. Zie Hand.

Vingertaai. Zie Doofstommenonderwijs.

Vingerzetting (Applicatuur) noemt men in de muzikale uitvoering de juiste plaatsing en verplaatsing der vingers op het instrument. Het

oudere spel (vóór Bach) sloot den duim en den pink bijna geheel uit; de volgende periode beperkte hun gebruik als regel tot de ondertoetsen; de jongste ontwikkeling (Liszt- Tausig- Bülow) heeft eindelijk elke beperking in het gebruik der vingers geheel opgeheven.

Viniegra y Lasso, Salvador, een Spaansch schilder, geboren den 238ten November 1862 te Cadix, studeerde aldaar onder leiding van José Perez en vertrok in 1882 naar Rome, waar hij werd opgeleid door Daniël Hernandez en José Villegas. Naar het voorbeeld van den laatste schilderde hij genrestukken uit het Spaansche volksleven, waaronder vooral uitmunten: „Zegening der velden in Spanje", „Gebed van den stierenvechter", „Huwelijk van den stierenvechter", „Dood van den stierenvechter", „Inschrijving in het doopsregister", „Serenade te Sevilla", „Aanbidding van het kruis" en „Gitaaronderwijs." Na een reis door N. Afrika schilderde hij: „Jaarmarkt te Tanger", „Slangenbezweerder" en „Pluimveehandelaars in Marokko."

Vink (Fringüla L.), een geslacht van de muschachtige vogels, uit de familie der vinken ('fringilidae), onderscheidt zich door een korten of vrij korten, kegelvormigen en puntigen snavel, lange vleugels, middelmatig lange pooten met een lagen achterteen, voorzien van een langen nagel. De staart is hoogstens middehnatig lang. Alle vogels van deze familie leven van zaden en insekten; vele van hen broeden in gezelschap en zingen zeer fraai. De meeste broeden twee-, sommige ook driemaal per jaar op 5—8 eieren. Zij kunnen gemakkelijk als kamervogels gehouden worden. De kanarievogel is zelfs uitsluitend huisdier geworden.

Tot de inlandsche soorten dezer familie belmoren: de musch, de groenling, de keep, de distelvink of putter, de sijs, de kneu, het fratertje enz., en inzonderheid de eigenlijke vink (Fr. coelébs), ook wel schildvink geheeten. Deze heeft de grootte van een musch, maar breeder vlucht. De schedel en de nek van het volwassen mannetje zijn donker blauwgrijs, de zijden van den kop roestrood, de keel en borst rood, overgaande in wit op den buik; de rug is eerst wijnrood; over de vleugels loopen twee witte banden. Het wijfje en de jongen zijn op kop, nek en rug olijfbruin, aan de buikzijde grijs. Deze vogel bewoont het grootste gedeelte van ons werelddeel en van Azië. Hij leeft in bosschen, parken en tuinen. Op het einde van October trekt hij in groote vluchten naar Z. Europa en N. Afrika. In het begin van Maart komen de mannetjes, een halve maand later de vrouwtjes terug. Hij bouwt zijn bijna bolvormig nest in boomen. Het wijfje legt 5—6 kleine eieren en broedt 14 dagen. Een tweede broedsel telt gewoonlijk slechts 3 eieren.

Vinke, Henrikus Eglertus, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Amsterdam den 20eten Juni 1794, studeerde te Amsterdam en te Utrecht, was daarna achtereenvolgens predikant te Jutphaas, te Alkmaar en te Utrecht en werd in 1836 als opvolger van Heringa benoemd tot hoogleeraar in de godgeleerdheid. Hij aanvaardde zijn betrekking den 8s,en December van dat jaar met een oratie: „De germano philosopho optimo theologo". Behalve bijdragen in tijdschriften, leerredenen en toespraken, schreef hij o. a.: „Verzameling en verklaring der gezegden van Jezus, betreffende zijn lijden en sterven tot vergeving van zonden en zaligheid" (1845), „J.

Sluiten