Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der „Fortschrittspartei." Uit een doorhem opgesteld verkiezingsmanifest is het algemeen bekende woord „Kulturkampf" afkomstig. Van 1880—1893 had hij zitting in den Rijksdag. Gedurende de oorlogen van 1866 en van 1870—1871 was hij lid van het 'bestuur der Berlijnsche commissie van bijstand voor het leger, organiseerde de geneeskundige hulp voor gewonden en deed het baraklazareth verrijzen op het Tempelhofer Feld te Berlijn. Mededeelingen daarover deed hij in: „Der erste Sanitatszug des Berliner Hülfsvereins"(1870) en „Ueber Lazarette und Baracken"(1871). Als lid van de wetenschappelijke deputatie voor den geneeskundigen dienst in liet ministerie van Eeredienst, had hij grooten invloed op de rioleering van Berlijn. Over dit onderwerp schreef hij: „Kanalisation oder Abfuhr"(1869) en „Reinigung und Entwasserung Berlins"(1870—1879). Op liet natuur- en geneeskundig congres van 1869, te Innsbrück gehouden, werd hij de stichter van de Duitsch anthropologisch genootschap, waarvan hij in 1870 voorzitter werd. Bovendien bestuurde hij sedert 1689 het anthropologisch Genootschap te Berlijn, welks „Handelingen" hij publiceerde in de „Zeitschrift fiir Ethnologie". Ook hield hij zich bezig met onderzoekingen over de paalwoningen in Pommeren (Julin) en de Mark en over andere voorhistorische nederzettingen. Een pennestrijd met Quatrefages over de afstamming van het Duitsche volk was de aanleiding om bij de schoolkinderen van geheel Duitschland een onderzoek te doen instellen naar de verspreiding van het blonde en bruine ras, dat tot zulke beslissende i itkomsten leidde, dat het in bijna alle aangrenzende landen navolging vond. Met overeenkomstige onderwerpen hield hij zich bezig in: „Über einige Merkmale niederer Menschenrassen am Schadel"(1875) en „Beitrage zur physischen Anthropologie der Deutschen, mit besonderer Berücksichtigung der Friesen"(1876). Daarenboven nam hij in 1879 deel aan de opgravingen van Schlie1 nann te Hissarlyk, waarvan hij de resultaten publiceerde in: „Zur Landeskunde Troas"(1880) en „Alttrojanische Graber und Schadel"(1882). In 1881 verrichtte hij in den Kaukasus zelfstandig anthropologische onderzoekingen; „Das Graberfèld von Koban im Lande der Osseten"(1883) was daarvan de vrucht. In 1888 bereisde hij met SchliemanriEgypte, NubiëendePeloponnesusterwijlhij.inaansluitingaan zijn anthropologische studiën, voor de stichting van een „Duitsch museum van kleederdrachten en huisraad" te Berlijn ijverde. Van zijn geschriften vermelden wij nog: „Cellularpathologie"(4de druk, 1871), het eerste deel vormend van zijn „Vorlesungen über Pathologie", waarvan „Die krankhaften Geschwülste" (1863—1867) het 2 4 6 tot 4'Je deel uitmaken. Met verschillende Duitsche geneeskundigen schreef hij het „Handbuch der speziellen Pathologie und Therapie"(3 dln., 1854—1862), terwijl verder o. a. nog van zijn hand verschenen: „Gesammelte Abhandlungen zur wissenschaftlichen Medizin" (2de druk, 1862), „Vier Reden über Leben und Kranksein" (1862), „Sektionsstechnik" (4de druk, 1893), „Untersuchungen über die Entwickelung des Schadelgrundes"(1857), „Lehre von den Trichinen" (3de druk, 1866), „Über die nationale Entwickelung und Bedeutung der Naturwissenschaften" (1865) „Über den Hungertyphus"(1868), „Die Aufgabe der Naturwissenschaften in dem neuen nationalen Leben Deutschlands"(1871), „Die Freiheit der Wissen¬

schaft im modernen Staat"(1877), „Gesammelte Abhandlungen aus dem Gebiete der öffentlichen Medizin und derSeuchenlehre"(2dln.,1879), „Überdie Weddas von Ceylon"(1881) en „Die Anstalten der Stadt Berlin für die öffentliche Gesundheitspflege" (samen met Guttstadt, 1886). Hij overleed den 5dPn September 1902 te Berlijn. De „Briefe Virchows an seine Eltern 1839—1864" (1907) werden door zijn dochter Marie Rail uitgegeven. Den 29sten Juni 1910 werd te Berlijn een monument te zijner eere onthuld.

Virgilius (Vergilius), Publius Maro, een beroemd Romeinsch dichter, geboren den 15den October 70 v. Clir. te Andes bij Mantua, ontving zijn eerste opleiding te Cremona, studeerde vervolgens te Milaan en te Rome en keerde in 45 naar Andes terug om zich aan de dichtkunst te wijden. Door de landverdeeling van Octavianus, ten gunste der Veteranen, van zijn landgoed beroofd, kreeg hij door voorspraak van Maecenas, bij wien Asinius Pollio hem had aanbevolen, schadeloosstelling. Door de mildheid van hooggeplaatste vrienden, met name van Maecenas en Octavianus, in een onbezorgde positie geplaatst, vertoefde hij afwisselend te Rome, op zijn landgoed bij Nola en voorai, terwille van zijn gezondheid, te Napels. Hier voltooide hij in 30 v. Chr., na zevenjarigen arbeid, zijn aan "Maecenas gewijde „Georgica", waarna hij terstond met zijn reeds vroeger aan Oclavianus toegezegd heldendicht „Aeneïs" begon. Na daaraan 11 jaar gewerkt te hebben, vertrok hij naar Griekenland, om daar de laatste hand aan zijn werk te leggen. Te Athene ontmoette hij Octavianus, die hem, naar aanleiding van zijn toenemende ziekelijkheid, bewoog, gezamenlijk den terugtocht te aanvaarden. Hij overleed echter onderweg den 218ten September 19 te Brindisi.

Virgilius is geen dichterlijk genie, maar een fijn lyrisch talent. Zijn hoofdwerken zijn: de 10 „Bucolica" of „Eclogae", geschreven in de jaren 41—39. Een navolging van de idylle van Theokritus, missen zij de natuurlijkheid daarvan, omdat de dichter de schilderijen van het land- en herdersleven doorvlochten heeft met toespelingen op eigen lotgevallen of voorname personen, wien hij daardoor zijn dankbaarheid wilde toonen. In de tweede plaats noemen wij de „Georgica", een leerdicht in 4 boeken, over landbouw, boomkweekerij, vee- en bijenteelt, dat door sierlijkheid van taal en welluidenden versbouw het meest volmaakte voortbrengsel van de Romeinsche dichtkunst vormt, en eindelijk zijn „Aeneis", een heldendicht in 12 boeken, na 's dichters dood door zijn vrienden Varius en Tucca, op bevel van Augustus, uitgegeven. Hoewel uit een oogpunt van dichterlijke volmaaktheid en oorspronkelijkheid bij de „Georgica" ten achter staande, werd het door de Romeinen als nationaal heldendicht beschouwd en met het werk van Homeros op één lijn gesteld. Bovendien is zijn naam, zij het wellicht ten onrechte, met een aantal kleinere gedichten, zooals: „Culex", „Ciris", „Moretum", „Copa" en ,,Catalecta" verbonden.

Ondanks verschillende, reedsin de Oudheid geuite afkeurende oordeelvellingen, is Virgilius de meest gelezen en de meest populaire dichter van zijn volk gebleven. Evenals bij de Grieken de gedichten van Homeros, zoo werden bij de Romeinen zijn werken, vooral de „Aeneïs", gebruikt bij het schoolonderwijs. Hoe groot het aanzien van dezen dichter

Sluiten