Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter Vischer, den Oudere, geboren in het laatst der 15de eeuw, vergezelde zijn broeder Hermarm naar Italië. Hij schijnt in de laatste 12 jaar de eigenlijke ziel van de gieterij te zijn geweest en degene, die allengs de Gotiek verdrong door den geest der Renaissance. Van zijn zelfstandige werkstukken zijn bekend: twee kleine, naakte vrouwenfiguren en 4 verschillende reliëfs, Orpheus en Eurydice voorstellend. Hij overleed in 1528.

Vischer, Hans, de derde zoon van Peter Vischer, dm Oudere, was in de eerste plaats een technicus, die het opzicht had op het gieten, ciseleeren en monteeren der groote werken. Na den dood van zijn vader kwam hij aan het hoofd der werkplaats en voltooide naar de door zijn broeder Peter achtergelaten modellen en teekeningen onderscheiden groote werken, zooals: het grafschrift van Margaretha Riedingervn in de kerk te Aschaffenburg, het grafteeken van den keurvorst van Brandenburg, Johann Cicero, in den Dom te Berlijn en dat van Keurvorst Johann 1, dm Bestendige in de slotkerk te Wittenberg. Zelfstandig schiep hij het grafteeken van bisschop Siegmund in den dom te Merseburg, het beeld van den boogschietenden Apollo, enz. Onder zijn bestuur ging echter de bronsgieterij te niet.

Vischer, Friedrich Theodor, von, een Duitsch aestheticus en dichter, geboren den 3081™ Juni 1807 te Ludwigsburg, studeerde in de godgeleerdheid, werd in 1830 vicaris te Horrheim bij Vaihingen en was in 1833 tot 1836 repetitor te Tubingen, waar hij zich in 1836 vestigde als privaatdocent en in 1837 tot buitengewoon hoogleeraar in de aesthetica en de geschiedenis derDuitsche letterkunde benoemd werd. In 1844 benoemd tot gewoon hoogleeraar, had zijn vrijmoedige intreerede tot gevolg, dat hij terstond voor 2 jaar geschorst werd. In 1848 werd hij afgevaardigd naar de Nationale Vergadering, behoorende tot de linkerzijde, volgde het Rompparlement naar Stuttgart en vertrok in 1855 als leeraar naar de polytechnische school te Zürich. Van 1866—1877 was hij hoogleeraar aan de polytechnische school te Stutigart. Vischer behoorde, evenals zijn vrienden Strausz, Schwegler enz. tot de Hegelsche school. Naast zijn hoofdwerk„Aesthetik, oder Wissenschaft des Schönen"(3 dln., 1858), verschenen nog van hem, „Ueber das Erhabene und Komische"(1837), „Kritische Gange"(2 dln., 1844), nieuwe reeks 6 dln., 1860 —1876), „Goethe's Faust. Neue Beitrage zur Kritik des Gedichts"(1875), „Auch Einer; eine Reisebekantschaft"(39ste druk, 1908), „Mode und Zynismus"(3dc druk, 1898). „Lyrische GSuge"(3de druk, 1900) en ,,Allotria"(1892). Onder het pseudoniem D. S. A. Mystifizinsky schreef hij „Faust. Der Tragödie dritter Teil"(6de druk. 1907), een satire op het tweede deel van Goethe's „Faust", als P. U. Schartenmeyer het humoristische heldendicht „Der deutsche Krieg 1870—71" (6de druk, 1904) en anoniem de bijtende „Epigramme aus Baden-Baden"(1867). Hij overleed den 14den September 1887 te Gmünden. Uit zijn nalatenschap publiceerde zijn zoon Robert Vischer: „Vortrage", erste Reihe „Das Schone und die Kunst"(3de druk, 1907), zweite Reihe „Shakespeare-Vortrage"(6 dln., 1898—1905; dl. 1 en 2 in 2den druk, 1905 en 1907) benevens „Briefe aus Italien"(1907).

Vischer, Robert, een Duitsch geschiedschrijver, op het gebied der kunst, een zoon van den voorgaande, geboren den 22Bl<,n Februari 1847, te Tubin¬

gen, was van 1874—1875 scriptor van de bibliotheek der kunstacademie te Weenen, vestigde zich in 1879 als privaatdocent te München en werd in 1882 buitengewoon hoogleeraar in de nieuwere kunstgeschiedenis te Breslau, in 1885 gewoon hoogleeraar aan de technische hoogeschool te Aken en in 1893 aan de hoogeschool te Göttingen. Hij schreef':„Luca Signorelli und die italienische Renaissance"(1879), „Studiën zur Kunstgeschichte"(1886) „Uber das optische Formgefühl"(1873), en „Peter Paul Rubens, ein Büchlein für unziinftige Kunstfreunde"(1904).

Vischg-uano. Zie Guano.

Vischhuid noemt men de met stekels bezette huid van verschillende soorten haaien en roggen uit de Middellandsche Zee, die dadelijk, nadat de dieren zijn gevangen, wordt afgestroopt, uitgespannen, langzaam gedroogd en stukgesneden. Zij wordt gebruikt voor het bijwerken van hout- en metaalwerk en gipsafgietsels, voor het inpersen van patronen in zadelleer en voor het vervaardigen van chagrijnleer. Wanneer de huid afgeslepen is, vertoont zij aardige teekeningen en wordt daarom voor het overtrekken van verschillende voorwerpen gebruikt.

Vischkweekerfl. Zie Vischteelt.

Vischlijm, Ichlyocolla of Colla piscium, verkrijgt men uit de binnenste huid van de zwemblaas van groote visschen uit het geslacht van de steuren. De blaas wordt met een verdunde oplossing van kalkmelk uitgewasschen, overlangs opengesneden en schoongemaakt, waarna de binnenste huid wordt weggenomen. Deze wordt op een plank uitgespannen en in de zon gedroogd. Goede vischlijm is hoornachtig, doorschijnend, geelachtig wit met een blauwen weerschijn, taai, draderig, reuken smaakloos; zij zet in koud water uit en wordt dan ondoorschijnend, in warm water en verdunden spiritus lost zij op. Die oplossing stolt tot een doorzichtige, kleurlooze gelei, die op 1 deel 30 deelen water kan bevatten. Bij het verbranden geeft vischlijm slechts 0,5% asch. De grootste hoeveelheid levert Rusland, de beste is die van Astrakan. Vischlijm wordt voor het zuiveren van wijn, bier en likeur gebruikt, verder om te lijmen, voor de bereiding van lijm voor glas en porselein, voor het apprêteeren van zijden stoffen, voor het bevestigen van parelessence in de holte van kunstmatige parels, voor de bereiding van Engelsch pleister en gelatinepapier enz. Wanneer men een net van fijn staaldraad in een oplossing van vischlijm doopt, worden de mazen met een fijn vlies bedekt, zoodat men na het drogen een glasachtige massa verkrijgt, die aan beide zijden wel met hars vernis wordt bedekt en dan in plaats van hoorn bijv. in lantarens kan worden gebruikt. Een dergelijke stof, glansgaas, verkrijgt men, wanneer men gaas in plaats van staaldraad gebruikt. De vischlijm wordt meer en meer door de beenderenlijm verdrongen. Een surrogaat van vischlijm wordt bereid uit de beenderen van den walvisch, een ander surrogaat uit bloedfibrine. Aan den agar-agar (zie aldaar) geeft men ook den naam van plantaardige Japansche of Oost-Indische vischlijm.

Vischmeel wordt bereid door kabeljauw, die van de graten ontdaan en gedroogd is, te malen en het poeder daarna tot 100° C. te verhitten. Het verliest daardoor den smaak van stokvisch en krijgt daarvoor in de plaats een zoetachtigen smaak. Het vischmeel, dat in voedingswaarde belangrijk hooger

Sluiten