Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

streeks 8 m. lang is. Fig. 5, plaat IV, geeft een afbeelding van het korijzer, dat in de plaats van het trawlhoofd bij de Engelsche kor komt.

3. De Garnalenhor is een nog kleinere editie van de Hollandsche kor; de boom, hier stok genoemd, is meestal slechts ongeveer 3—5 m. lang.

4. De Haringvleet of het haringdrijfnet (zie voor drijfnetten verder hierachter bi] Kust- en binnenvisscherij: Staande netten en Drijfnetten) bestaat uit een reeks van aan elkander bevestigde katoenen netten, van onderen bezwaard en van boven van kurken (vloten) voorzien, die bij het visschen rechtstandig in het water drijven, hangende aan opdeoppervlaktevanhetwaterdrijvende boeien (joonen en breels). De inrichting van het net blijkt uit de afbeelding. (Zie Fig 6 plaat I.) Elk net is hier te lande omstreeks 31 m. lang en 16 m. diep. De haring wordt gevangen, doordat zij tegen het net aanzwemmende met de kieuwdeksels in de mazen blijft hangen. Het aantal netten waarmede gevischt wordt, hangt af van het vaartuig en de weersgesteldheid. Een stoomlogger vischt bij goed weder met tot 160 netten toe, zoodat de vleet dan ongeveer 6000m. lang is, een zeillogger met 75—120 netten, naar gelang van zijn grootte en het weer, een bom met 60—75 netten.

5. De Beug (zie fig. 7, plaat IV) bestaat uit lijnen met geaasde hoeken en is dus een vischtuig, geen vischnet. Een volledige beug bestaat uit 200 lijnen elk van 76 m., en is dus ruim 15 km. lang. Voor de kabeljauwvangst zijn 24 dwarslijntjes (zg. sneuen) elk met een hoek, voor de schelvischvangst 60 sneuen met hoeken aan elke lijn bevestigd. Bij de laatste visscherij wordt echter met minder lijnen tegelijk gevischt. Elke twintig lijnen worden telkens aan elkaar aan een joon bevestigd, die met een ankertje, het gooi, wordt vastgelegd; zij vormen een zg. bak. Bij de kabeljauwbeug wordt de beug, nadat alle lijnen ziin freschoten. vrii in zee gelaten, totdat het schip

weer naar het beginpunt teruggekruist is en het vischtuig kan inhalen; bij de schelvischbeug wordt het einde van de laatste lijn vastgezet, en, na korten tijd gewacht te hebben, van achter naar voren weer ingehaald.

6. De Kol bestaat uit een lijn van ± 100 m. lengte met een grooten geaasden vischhoek aan het einde; hij wordt op den bodem gehouden door een ongeveer 1 m. boven den hoek bevestigd stuk lood.

Bij de Kust- en Binnenvisscherij worden gebruikt:

1. De Garnalenkor (zie no. 3 Zeevisscherij).

2. De Wonder-, Kwak- en Dwarskuil zijn kuilen, op verschillende wijze aangespannen. (Zie voor andere soorten kuilen hierachter nog onder no. 3, 4 en 6). Kuilen zijn zakvormige netten, van voren wijd en van achteren nauw toeloopend, die in hun wezen met het trawlnetten overeen komen. De wonderkuil (ook wel moordkuil genoemd) wordt door twee vaartuigen over den bodem gesleept (zie fig. 8, plaat I ) en dient hoofdzakelijk voor de vangst van haring, ansjovis, spiering, aal en garnaal, op de Zuiderzee, terwijl door de nauwe maaswijdte ook veel jonge visch, z.g. nest, wordt meegevangen; fig. 9, plaat II, geeft een voorstelling van het net zelve, zooals dat op den wal is uitgehaald; het net is ongeveer 15 m. lang, terwijl de opening ongeveer 12.60 m. wijd en 2 m. hoog is, het wordt aan de einden door de z.g. oorstokken, lang i 6 voet,

opengehouden. Ook de dwars- en de kwakkuil worden uitsluitend op de Zuiderzee gebruikt; deze zijn echter slechts aan een vaartuig aangespannen en resp. door één en twee zware boomen uitgehouden. (zie fig. 10 en 11, plaat II). De kwakkuil is kleiner dan de wonderkuil, de dwarskuil weder kleiner dan de kwakkuil.

3. De Ankerkuil is ook een kuilnet (zie fig. 12, plaat III) in plaats echter dat dit net de visschen vangt, door dit door het stilstaande, althans slechts zwak stroomende water te sleepen, zooals de onder 2 genoemde kuilen, staat dit verankerde kuilnet stil, en drijft het met groote snelheid er doorstroomende water den visch in het net. Hieruit volgt dat het net alleen gebruikt kan worden in snelstroomende wateren. Het is lang ongeveer 30 m. en wordt door een raam van zware sparren ± 6 X 9 m. opengehouden.

4. De Sprotkuil is in Zeeland geen speciaal vischtuig, wel echter in Den Helder; in den regel wordt voor de sprot (schardijn) vangst, die alleen in den mond van Ooster- en Westerschelde plaats vindt, de garnalenkor gebezigd. Bij Den Helder wordt een kleine ankerkuil met alleen leggers gebezigd, waarvan fig. 13, plaat III, een afbeelding geeft.

5. De Baampalingfuik komt geheel overeen met den ankerkuil, alleen zijn de afmetingen van het raam wat kleiner en wordt de kuil niet aan een vaartuig, maar afzonderlijk in de rivier verankerd.

6. De Sleepnetten, die door twee vaartuigen over den bodem langzaam gesleept worden, zijn netten, die op de Zuiderzee voor de vangst van haring, ansjovis, spiering en bot worden gebezigd. Naar gelang van de vischsoort, voor welker vangst zij moeten

dienen .hebben zi] grooter oi Kleiner mazen, en ziju zij meer of minder hoog. De wijze van aanspanning en gebruik blijkt op de teekening fig. 14, plaat III: Gemeenlijk wordt met 8 ü 10 netten gevischt, elk i 20 m. lang. Het zijn driewandige netten, d. w. z. zij hebben aan voor- en achterzijde, groote, wijde mazen, z.g. laddermazen, waartusschen het eigenlijke net, de boezem, die door de laddermazen als het ware zakken vormt, waardoor de visch zich gemakkelijker in het net verwart. Naar gelang van de vischsoort, waarop wordt gevischt, wordt op den bodem of aan de oppervlakte gevischt.

7. Staande netten (schakels, reepnetten enz.) zijn netten, die uitgezet en na eenigen tijd gestaan te hebben, weer gelicht worden. Van boven van kurk voorzien en van onder met lood bezwaard, staan zij rechtop in het water. Zij worden in het bijzonder op de Zuiderzee gebezigd en in de binnenwateren. Het zijn alle enkelwandige netten, waartegen de visschen aanzwemmen en in welker mazen zij met hun kieuwen blijven hangen. Waar stroom gaat, worden zij veelal dwarsstrooms geplaatst en met de noodige ankers verankerd; op 4 & 5 netten komt telkens een anker; zulk een groep netten heet een reep; meestal wordt met 6 reepen gevischt. Uit fig. 15, plaat III, blijkt de wijze van visschen en de inrichting van het net op de plaatsen waar stroom gaat, als bij Urk en Noordelijk daarvan. In de binnenwateren zij den staande nettenbekend onder verschillende algemeene benamingen als wijd-, drijf-, vloei- of vleet/netten, en naar gelang van de vischsoort waarvoor zij moeten dienen, nog onder bijzondere namen als baars-; blei- of brasem- en botnetten (zie de afbeelding fig, 16, plaat IV). De netten varieeren zeer in lengte

Sluiten