Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dit orgaan weet men niet. Bij sommige visschen schijnt zij dienst te doen als een evenwichtstoestel, bij andere staat zij met het gehoororgaan in verbinding, terwijl men ook meent, dat de zwemblaas dienst doet tot voortbrenging van geluiden, zooals b. v. bij onze knorhanen.

Met uitzondering van enkele individuen, en soorten, die tweeslachtig zijn, onderscheiden wij bij de visschen vrouwelijke exemplaren, die men meestal „kuiters" noemt en mannelijke, die „hommers heeten. De geslachtsklier bij de kuiters wordt „eierstok" of „kuit5' genoemd. Bij de hommers noemt men de geslachtsklier „hom", De eierstokken zijn in den regel gesloten zakken, welke met een vlies aan de rugzijde verbonden zijn en waarbinnen zich de eieren ontwikkelen. De eileider is eene buisvormige voortzetting van den eierstok en mondt in de anaalopening of in een afzonderlijke opening daarachter uit. Het aantal eieren, dat één kuit bevat, bedraagt bij sommige visclisoorten verscheidene millioenen. De hom bestaat uit twee melkwitte, min of meer afgeplatte organen, welke evenals de kuit door middel van een vlies aan den rugwand bevestigd zijn. De afvoerbuizen of zaadleiders zijn evenals de eierleiders buisvormige voortzettingen van het hoofdorgaan en eindigen ook meestal in de kloake. Het homvocht of zaad is een melkachtig witte vloeistof. Bevruchting van de eieren heeft als regel buiten het lichaam plaats, doordien op de paaiplaatsen, waar de kuiters hare kuit schieten,de hommers hunhomvochtloozen. Slechts bij sommige vischsoorten bestaat paring en inwendige bevruchting; soms heeft de ontwikkeling van het ei dan in het moederdier plaats, en worden de jongen levend geboren, (puitaal, verschillende haaisoorten). De eieren zijn, vooral bij de zeevisschen, doorzichtig en bijna even kleurloos als het water. Na de bevruchting ontwikkelt zich binnen enkele dagen het embryo, waaraan reeds spoedig kop, staart en oogen te onderscheiden zijn. Naeenigen tijd treden kleine ophoopingen van zwarte of gele kleurstof op, verschillend bij de onderscheidene vischsoorten, waardoor het mogelijk is eieren en larven van verschillende vischsoorten van elkaar te onderscheiden. Slechts een deel van de eimassa dient voor de vorming van het jonge dier, het hoofddeel strekt tot voedsel. Reeds voor alle reservevoedsel verbruikt is, verlaat de larve het ei en zweeft vrii in het water rond. Het overschot van het voedsel dragen zij in den eersten tijd in een zakje (dooier of dodderzak) aan de buikzijde met zich rond. Is ook deze voorraad verbruikt, dan zijn de spijsverteringsorganen voldoende geschikt, voedsel uit het omringende water op te nemen.

De pelagische visschen, dat zijn visschen, welke in den regel in de bovenste waterlagen leven, voeden zich hoofdzakelijk met plankton (de dikwijls mikroscopisch kleine diertjes en planten, welke in het water zweven of rondzwemmen en door den stroom medegevoerd worden.) Met het ademhalingswater stroomen de plankton organismen den bek binnen, worden door het zeeftoestel, dat zich op de kieuwbogen bevindt, tegengehouden en daarna ingeslikt. De bodem\isschen voeden zich hoofdzakelijk met allerhande schelpdieren, wormen, garnalen, krabben, zeesterren en visschen.

Vooral in het eerste levensjaar groeien de visschen snel. Sommige visschen houden 's winters een z. g. winterslaap. In den regel worden zij in het 3de of

4de levensjaar geslachtsrijp. Meestal zijn de mannelijke dieren een jaar vroeger geslachtsrijp dan de vrouwelijke. Een verschijnsel dat nauw samenhangt met de voortplanting en de voeding is het z. g. trekken der visschen. In het algemeen kan men zeggen dat de plaatsen, waar de visschen geboren worden en de larven op moeten groeien en die, waar de volwassen dieren zich moeten voeden, niet dezelfde zijn. Dit springt in het bijzonder in het oog bij den zalm, die in den bovenstroomloop der rivieren geboren wordt en daar één soms twee jaar doorbrengt, terwijl de volwassen visch in zee leeft. Den trek naar de bovenrivier kan men voortplanlingstrek, dien naar zee den voedingstrek noemen. Bij andere vischsoorten, zooals bij de aal, is omgekeerd de trek naar binnen juist de voedingstrek, die naar zee, de voortplantingstrek.

Bovenstaand geeft eenig denkbeeld van de visschen in het algemeen. Bij een nadere beschouwing echter ontwaren wij een groote verscheidenheid van lichaamsbouw. Bij het geslacht Amphioxus, de laagst ontwikkelde bijv., ontbreken hersenen, hart, lever en vinnen, en aan het andere uiteinde der visschenreeks kan men hen nauwelijks onderscheiden van de naakte amphibieën. Hebben de visschen meestal een langwerpige, spilvormige, zijdelings samengedrukte gedaante, veelal wigvormig aan de buikzijde, waardoor zij gemakkelijker kunnen zwemmen, er zijn ook rolronde, op slangen gelijkende visschen, aie op den bodem der wateren in het slijk rondkruipen (zie b.v. bij Cycfostomi en Palingvisschen)\ voorts worden er gevonden met een bolvormig lichaam, die aan de oppervlakte van het water kunnen drijven (zie b.v. bij Vaslkakigen). Door de zijdelingsche samendrukking ontstaan ook zeer smalle vormen, soms met een hoogen rug bij geringe lengte, zooals bij de platvisschen, soms ook met een sterk verlengd lichaam, zoodat zij als het ware een lint vormen (zie b.v. bij Lintvisschen). Bij de roggen is het lichaam van boven naar beneden samengedrukt.

Het geraamte der visschen is merkwaardig wegens zijn verbazenden rijkdom van vormen. Het doorloopt namelijk van de eenvoudigste gedaante, die met den embryonalen toestand van hoogere gewervelde dieren overeenstemming toont, een reeks van trappen, om tot hoogere volkomenheid op te klimmen.

Visschen zijn in het algemeen vleeschetende dieren. Slechts enkele geslachten, zooals dat der Cvprinoïden, gebruiken plantaardig voedsel, en ook dan versmaden zij geenszins dierlijk voedsel. Zij zijn gedeeltelijk vraatzuchtige roovers en maken jacht op andere visschen, kreeften en weekdieren en verzwelgen ze dikwijls zonder ze vooraf te vermalen. Sommige, zooals de roggen, verbrijzelen met hunne maaltanden de schalen der weekdieren en kreeften. Trage zwemmers bedienen zich van hunne wormvormige monddraden om hunne prooi te vangen; zij loeren in de diepte op kleine visschen, welke zich door de gewaande wormen laten verlokken. Sommige Oost-Indische soorten maken zich meester van insekten door ze met een opgespoten waterdroppel te treffen (zie bij Squamipinnest Toxotes), en de electrische visschen bedwelmen hunne prooi door schokken (zie bij Qymnotidae; bij Meervallen i de Siddermeervallen; bij Rogvissehen: de Torpedinidae). Sommige visschen leven als parasieten op andere.

Sluiten