Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haven, afzonderlijke kaden aangebracht zijn, van spoorwegverbinding voorzien, bestemd voor de uitrusting van de hun vangst gelost hebbende schepen; in den regel zijn deze havens voorzien van de noodige inrichtingen om de schepen te kunnen droog zetten (dokken of sleephellingen), kranen en verdere outilage. Hier te lande heeft zich de stoomvisscherij eerst krachtig kunnen ontwikkelen na de opening der visschershaven te IJmuiden. Bij de opening op 1 Juli 1896 bedroeg het aantal daar havenende stoomschepen slechts 12, in 1911 daarentegen 110, ter waarde van 5 è, 6 millioen gulden (zie verder IJmuiden). In Duitschland heeft men in de ongeveer gelijktijdig met IJmuiden geopende versche vischhaven te Geestemünde alleenvoor het eigenlijke haven-bedrijf staatsexploitatie toegepast, het halbedrijf heeft men in exploitatie gegeven aan een vennootschap, uitsluitend bestaande uit reeders en vischhandelaren. De daarmede verkregen ervaring, in verband met het te IJmuiden met de uitsluitende staatsexploitatie verkregen succes, heeft echter bij de opening van de nieuwe versche-vischhaven te Cuxhafen doen besluiten, ook daar uitsluitend staatsexploitatie toe te passen. In Engeland zijn de versche vischhavens meest eigendom van spoorwegmaatschappijen, die deze, met uitzondering van den vischafslag, zelf exploiteeren. De moderne ontwikkeling van het bedrijf heeft intusschen ook bij de haringvisscherij bijzondere eischen aan de haveninrichtingen doen stellen en de noodzakelijkheid doen blijken om de inrichting er op berekend te doen zijn, de uitoefening van het bedrijf ook hier op de meest economische wijze te kunnen doen plaats hebben. Deze eischen zijn echter belangrijk lager, daar de aangevoerde visch geconserveerd is (Zie ook Haringvisscherij). In open zee, d. i. buiten de territoriale grenzen, mogen volgens het volkerenrecht alle natiën zonder beperkende bepalingen visschen. Bij de Noordzee-Conventie van 1882 werd door de regeeringen der om de Noordzee gelegen landen, met uitzondering van die van Noorwegen enZweden' o. a. bepaald, dat binnen de territoriale grenzen de visscherij zou behooren aan de bewoners van den oeverstaat, terwijl een gemeenschappelijk politietoezicht zou worden opgedragen aan de militaire marine der contracteerende mogendheden, welk toezicht uitsluitend zou betreffen de ,,mer commune,11 d. i. de zee buiten de territoriale grenzen. In 1908 werd bij de Noordzee-entente o. a. besloten, om de bestaande territoriale grensregeling te handhaven. Inmiddels was reeds m 1902 een permanente internationale Raad voor het onderzoek der zee ingesteld, welke ook aan het visscherijbedrijf ten goede zou komen (Zie verder Internationale Raad voor het onderzoek der zee).

Onder kustvisscherij wordt in de met 1 Juli 1911 ! in werking getreden nieuwe visscherijwet verstaan : de v isscherij in den Dollart, de Lauwerszee, Wadden- ] zee, Zuiderzee, Zuidhollandsche en Zeeuwsche stroo- ; men, de zeegaten en de territoriale wateren. Het be- i drijf hier is, behalve bij de oester- en mosselcultuur, i

bijna uitsluitend kleinbedrijf, dat met zeilvaartuigen ]

wordt uitgeoefend. In den regel is de schipper ook (

de zij het dikwijls zwaar met schuld belaste — i

eigenaar van het vaartuig. Vooral in de Zuiderzee i

en in de Zuidhollandsche stroomen, waar dikwijls (

door groote vloten vrij belangrijke hoeveelheden t

versche visch worden aangevoerd, heeft zich in de i

XV

n laatste jaren debehoefte doen gevoelen aan inrichtin;- gen, waar de visch publiek verkocht kan worden ; (vischafslagen), welke dan ook op verschillende plaatsen reeds zijn ontstaan. Bijzondere inrichtingen in % de havens zijn bij de kleine afmetingen der gebee zigde vaartuigen en de kleine hoeveelheden visch, j die in den regel door een vaartuig tegelijk worden l aangevoerd, niet aanwezig ,wel zijn op de voornaam} ste visschersplaatsen havens aanwezig, waar de e vaartuigen voldoende lig- en losplaats vinden. , Tot de binnenvisscherij, in den zin der visscherijr wet, behooren alle door sluizen of duikersluizen van

- kustwateren afgesloten wateren zoomede de rivieren. 3 Evenals de kustvisscherij in de verschillende gebieï den — met uitzondering van die in de territoriale

- wateren — is ook de binnenvisscherij bij de wet gei regeld. De zalm- en elftvisscherij is, in overeenstemi ming met de overige Rijnoeverstaten geregeld door , het in 1884 gesloten tractaat. Evenals ieder, die ' de kustvisscherij uitoefent, een consent moet i bezitten, evenzoo moet ieder, die de binnenvisscherij ' uitoefent, een acte hebben. Alleen voor het visschen

met een hengel wordt geen acte verlangd, en ook geen vergunning, voor zoover gehengeld wordt in zg. staatswateren (bedoeld in de artt. 677—579 B. W.).

In hoofdzaak is onze visscherij op export naar het buitenland aangewezen; meer dan de helft der aangevoerde versche visch, meer dan vier vijfden van de aangevoerde pekelharing, bijna al de gevangen ansjovis, het grootste deel der aangevoerde versche haring, spiering, aal, garnalen, alikruiken, oesters, mosselen, zalm en steur, gaat naar het buitenland, voornamelijk Duitschland, België, Engeland en Frankrijk. Met de eigenlijke binnenof zoetwatervisch is het niet anders gesteld. Frankrijk en België nemen in het bijzonder groote hoeveelheden kleine witvisch, die onder den naam van „friture" aan de markt gebracht worden. Deze export heeft zeer waarschijnlijk mede groote schuld aan den achteruitgang van den vischstand in onze binnenwateren. In 1908 werd niet minder dan bijna 7 millioen K.G. zoetwatervisch naar de bovengenoemde landen uitgevoerd. In verband met de invoering van de visscherijwet is onze visscherijdienst nieuw georganiseerd. Er zijn thans twee diensttakken: 1°. de visscherij-onderzoekings- en voorlichtingsdienst, aan het hoofd waarvan de wetenschappelijke adviseur in visscherijzaken staat met een adjunct-adviseur en de noodige assistenten; deze wordt te Haarlem gevestigd, terwijl voor laboratoria, die welke thans in gebruik zijn voor het internationale noordzeeonderzoek in den Helder dienen; 2°. de technische en oeconomische (visscherij-inspectie) dienst, aan liet hoofd waarvan de hoofdinspecteur der visscherij is gesteld, met inspecteurs, hoofden van de visscherijdistricten, bijgestaan door adjunct-inspecteurs, onderinspecteurs en opzieners. Tot hare voorlichting kan de regeering, behalve over de hoofden dezer beide diensttakken, nog over een college voor de visscherijen beschikken, welks vergaderingen deze beide hoofden, op uitnoodiging van het college, voor de behandeling van bepaalde onderwerpen als adviseerend lid kun" nen bijwonen. Evenals bij zooveleanderej)edrijven,ig ook bij de visscherij in de laatste jaren het vereenigingsleven tot ontwikkeling gekomen; zoo zijn de zeevisscherijreederijen in een vereeniging vereenigd,

40

Sluiten