Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vlas in bakken en wel meestal in twee perioden wordt geroot. Na het roten wordt het vlas rechtop, maar met uitgespreiden voet op het veld geplaatst om te drogen en daarbij een paar keeren omgezet. De Kortrijksche „bakroting" levert een vlas van uitstekende kwaliteit. De roting in warm water geschiedt in een houten of ijzeren bak of kuip met water van omstreeks 29—35° C. De verdere bewerking van het vlas bestaat in het braken, waarbij het houtdeel van den stengel op tal van plaatsen gebroken wordt en daarbij ook reeds voor een groot deel van de bastvezel los laat, en in het slijpen of zwingelen, waarbij de houtdeelen van den stengel — schif, scheven, schin of stoppels genoemd — van de bastvezels worden gescheiden. Beide bewerkingen geschiedden vroeger meer met handgereedschap, thans meer machinaal. Na het zwingelen wordt de vlasvezel „opgemaaktP', d.w.z. van de nog aanwezige houtdeelen ontdaan, glad gestreken en gebonden in bossen of poppen. Het opgemaakte vlas wordt verhandeld in „steenen" van 2,82 k.g. of in „bundels" van 3,2 k.g. Vóór het spinnen moet het vlas nog gehekeld worden. Daarbij worden de vezels ten deele vaneengespleten. Het vezelige afval der bewerkingen draagt den naam van werk, snuit of heede en wordt gebruikt voor het slaan van touw.

Vlasspinnerij. Zie Spinnen.

Vl&swol of Vlaskatoen noemt men een van \ las vervaardigd surrogaat van katoen. Lady Morgan beproefde de bereidit'g daarvan in 1774, en in 1853 vatte Clauszen dat denkbeeld weder op, doch het gelukte hem niet, den prijs van 20 000 pond sterling te verkrijgen, door de Engelsche regeering uitgeloofd aan dergene, die een methode uitvond, om een dergelijke stof te vervaardigen. Men wilde zich op die wijze onafhankelijk maken van den katoenbouw in Amerika. Later hebben anderen nieuwe pogingen aangewend om dit doel te bereiken, echter zonder resultaat.

Vleck, Vaclav, een Czechisch schrijver, geboren den lsten September 1839 te Strechow in Bohemen, studeerde te Praag in de taalwetenschappen, werd leeraar aan een gymnasium' en richtte in 1871 het tijdschrift „Osvêta" („Verlichting") op, dat thans nog bestaat en een belangrijken invloed op de ontwikkeling der Czechische letterkunde heeft uitgeoefend. Van zijn talrijke vertellingen moeten vooral genoemd worden: „Vênce vavrinovy" in „Osvêta," 1872, afzonderlijk, 1878) en „Zlato voni" (5 dln., 1883), welke uitmunten door fijne waarneling en meesterlijke weergave van de burgerlijke levensverhoudingen. Van zijn treurspelen noemen wij: „Eliska Premysbovna", „Milada", „Vlasta" en „Lipany", terwijl van zijn verdere publicaties de bundel „Tuzby vlastenecké" (1879) vermelding verdient. Hij overleed den 318ten Augustus 1908 te Vinohrody bij Praag.

Vlechtwerk noemt men voorwerpen, welke vervaardigd worden door buigzame stoffen in den vorm van draden of staafjes door elkander te vlechten. Daartoe behooren bijv. matten, zeven, stoelzittingen, manden, hoeden, schoenwerk, zweepsnoeren, tressen enz. Het vlechten geschiedt op zeer verschillende wijzen, n. 1. op de wijze van gewone weefsels, als gaas, kant enz. Als materiaal gebruikt men wilgenteenen, Spaansch riet, stroo, bast, biezen, espartogras, gespleten of dunne bamboe, wortelvezels, bladnerven, haar of weefsels van ver¬

schillenden aard, strookjes papier, metaaldraad enz. De belangrijkste tak van de vlechtnijverheid is het mandenvlechten. Van wilgenteenen, riet enz. worden manden, meubels, bloemstanders, kinderwagens enz. vervaardigd. De teenen worden geschild of ongeschild, ruw, gebleekt en gekleurd gebruikt; ook wordt het vlechtwerk dikwijls geverfd, gebronsd, gelakt enz. om het een fraaier voorkomen te geven. Het mandenvlechten wordt ook machinaal verricht. A jour- vlechtwerk wordt vervaardigd uit strooken, welke van katoen of van katoen en paardehaar geweven worden.

Het vlechten van matten, manden en huisraad is een overoud bedrijf. Door de geringe duurzaamheid van het produkt zijn slechts weinig bewijsstukken uit voorhistorischen tijd bewaard gebleven. Maar de bedrevenheid en de kunstzin, welke thans verschillende natuurvolken op dit gebied bezitten, vooral daar, waar de natuur geschikt vlechtmateriaal oplevert, zooals bijv. in Insulinde, wettigt de veronderstelling, dat het vlechten reeds vroeg een zekere mate van volmaaktheid bereikt heeft. Het duurste vlechtwerk, dat thans in den handel komt, de Panamahoeden en de knooptapijten, houdt onmiddellijk met deze alleroudste nijverheidskunst der menschheid verband.

Ook in Nederland is de vlechtwerkindustrie niet onbelangrijk, vooral het maken van stroohulzen, matten en manden. Zoo bezit ons land 23 fabrieken van stroohulzen, 12 groote mattenmakerijen en 60 mandenmakerijen. Te Noorwolde bestaat een rijksrietvlechtschool.

Vledder, een gemeente in de provincie Drente, 4 725 H. A. groot met (1910) 2834 inwoners, wordt begrensd door de Drentsche gemeenten Havelte en Diever, de Overijselsche gemeente Steenwijkerwold en de Friesche gemeenten Ooststellingwerf en Weststellingwerf. De oostelijke grens wordt gevormd door het Wapserveenschediep. De bodem bestaat voor het grootste deel uit diluviaal zand, het vroegere hoogveengebied in het N. W. is door de stichting van de kolonie Frederiksoord ontgonnen. Langs de A en het Vledder- en Wapserveensche diep vindt men laag veen. Het voornaamste middel van bestaan is landbouw. Tot de gemeente behooren: het dorp Vledder, het grootste gedeelte van de kolonie Frederiksoord en een aantal buurten.

Vleermuizen (Chiroptera), Vledermuizen of Handvleugeligen, een orde uit de klasse der zoogdieren, hebben een ineengedrongen lichaam, een korten hals en een dikken, langwerpigen kop met een groote mondspleet. Een eigenaardig kenmerk van deze dieren is de vlieghuid. In verband daarmede zijn de voorste ledematen op bijzondere wijze gevormd; de boven- en de bencdenarm en de middelhand met de vingers zijn buitengewoon verlengd, hiertusschen is de vlieghuid uitgespannen, die zich verder naar de achterpooten en den staart voortzet. Op deze huid kunnen de dieren als op een valscherm in de lucht fladderen. Hun lichaam is klein en licht; het is bedekt met tallooze fijne en zachte haren, waartusscben zich veel lucht bevindt. De borstspieren zijn krachtig ontwikkeld. De duim, die zich vrij bewegen kan, is van een scherpen klauw voorzien, ook de teenen van de achterpooten bezitten klauwen. Door den eigenaardigen vorm van de vlieghuid, door de mondspleet en door de

Sluiten