Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuk vleesch, worst of ham steekt zoover door de opening, als de dikte van het schijfje zal bedragen, waarna met het mes a een schijfje wordt afgesneden; bij het terugtrekken van het mes wordt de

Vleeschsnijmachine.

schroefspil door de stang c zoodanig gedraaid, dat < het stuk vleesch, dat tegen e rust, een weinig voor- { uitgeschoven wordt en wel zooveel, als de dikte i van een schijfje bedraagt.

Vleeschhouwer, Lodewijk Joachim, een Vlaamsch letterkundige, geboren te Antwerpen : den 19den Augustus 1810, begaf zich in 1828 naar Amerika, keerde in 1834 terug en studeerde vervolgens te Londen, Berlijn en Parijs in de geneeskunde. Hij stichtte in 1840 het weekblad „Le Controleur", werd redacteur van onderscheiden belangrijke dagbladen en overleed den 12a™ October 1866. Hij was een ijverig voorstander van de Vlaamsche beweging. Hij schreef'. „Stukken en brokken (1841) „Fragment eener reis door de Vereenigde Staten van Noord-Amerika" (1842), „Over eenige verouderde woorden en vormen der Nederlandsche taal" (1859), „Het boek der vertellingen" (1862), en „Vaderlandsliefde en moedertaal" (1866).

Vleeschkeuring- noemt men de contröle, welke van overheidswege uit een gezondheidsoogpunt wordt uitgeoefend over het vleesch, dat ter consumptie in den handel gebracht wordt. Daartoe wordt het vleesch van het geslachte dier, vóór het ten verkoop mag worden aangeboden, onderzocht en, in geval geen voor de gezondheid schadelijke afwijkingen worden aangetroffen, van een stempel voorzien. In het andere geval wordt tot vernietiging overgegaan. Het toezicht wordt uitgeoefend door ambtenaren, gedeeltelijk uit veeartsen bestaande, welke daarvoor van gemeentewege worden aangesteld.

De vleeschkeuring heeft, zooals gezegd, in de eerste plaats ten doel, den mensch te beschermen tegen de gevaren, welke zijn verbonden aan het nuttigen van vleesch, dat voor de gezondheid schadelijk moet worden geacht. Een aantal dierlijke parasieten kunnen n. 1. van het dier op den mensch worden overgedragen, die dan bij dezen lichtere of zwaardere ziekteverschijnselen veroorzaken. Daartoe behooren bijv. de rundervin (Cysticercus inermis), welke zich bij den mensch tot de Taenia saginata, en de varkensvin, welke zich tot de Taenia

solium ontwikkelt. Van meer beteekenis is intus-

schen de Tnchina spiralis, voorkomende in ae spieren van varkens, die vóór de invoering van het mikroskopisch onderzoek van varkensvleesch dikwijls aanleiding heeft gegeven tot omvangrijke ziekteverschijnselen bij menschen en het, waar dit onderzoek nog niet is ingevoerd, ook thans nog doet (zie Trichine). In de tweede plaats heeft de vleeschkeuring het belang van den landbouw op het oog. Door n.1. alle dieren, welke met dierlijke parasieten of andere infectiestoffen behept zijn, in beslag te nemen en te vernietigen, vermindert men het gevaar voor besmetting van de landbouwhuisdieren.

Vleeschmeel wordt verkregen als nevenprodukt bij de bereiding van vleeschextract. De uitgetrokken vleesclivezels worden, vermengd met 2,5— 3% keukenzout, op een waterbad gedroogd en daarna fijngemalen. Het vormt een groenachtig geel poeder, dat zeer houdbaar is en vooral als krachtvoedermiddel gebmikt wordt. Het bevat 70 —75% stikstofhoudende stoffen, 9—14% vet en 2—5% minerale bestanddeelen. Onder denzelfden naam komt een produkt in den handel, ook cadavermeel genaamd, dat bereid wordt uit voor de consumptie afgekeurde dieren. Ontdaan van huid en darmen, worden deze in stukken gesneden en gedurende een vijftal uren aan de inwerking van stoom van 130° C. blootgesteld. Daarna wordt het vet afgetapt en de ketel gedraaid om zijn as, die van stalen messen is voorzien. Na nogmaals 5 uur is de massa in poeder overgegaan, dat alleen nog maar behoeft gezeefd te worden. Cadavermeel vindt toepassing als bemestingsmiddel.

Vleeschvergif. Zie Vleeschvergiftiging.

Vleesch-verg-iftig-ing- is de naam, waaronder men een aantal ziekteverschijnselen samen-

■ vat, die na het gebruik van vleesch ontstaan. Men

■ onderscheidt in hoofdzaak 2 geheel van elkander ver1 schillende vormen. De eerste vorm, een eigenlijke ! vergiftiging, draagt ook den naam worstvergifti> ging, totulisme of allaniiasis. Deze ontstaat door i het zoogenaamde vleesch- of worstvergif, een stof, , die door een bacil en wel door den bacillus botuli-

nis gevormd wordt in versch of geconserveerd , vleesch. De bacil zelf is niet pathogeen en schijnt in - de natuur zeer verbreid te zijn. Hij vormt in zijn r lichaam sporen, die veel weerstandsvermogen hebe ben, zoodat zij niet gemakkelijk vernietigd kunt nen worden. Hij groeit alleen op plaatsen, waar t geen zuurstof kan toetreden, waardoor zijn optreden e in worst, in vleesch en bussen enz. gemakkelijk '1 kan worden verklaard. Het gif wordt alleen op i- sommige plaatsen gevormd, zoodat van persod nen, die van hetzelfde vleesch eten, sommige >- ziek worden, terwijl andere gezond blijven. Door n koken, door alkaliën en door het daglicht wordt het gif spoedig onschadelijk gemaakt. De ziekteverr- schijnselen ontstaan 24—36 uur na het gebruik van 3- het vergiftige vleesch; zij bestaan voornamelijk t- in een verlamming van de oogleden, storingen in 3- het gezichtsvermogen, droogheid van de keel, die, i- rood en opgezet is, ophouden van speekselvorming ih heeschheid, darm- en urineverstopping, soms ook jf buikloop. Koorts komt niet voor. In hevige gevalr- len volgt de dood na stuiptrekkingen en verlamr- mingen, meestal echter geneest de zieke onder een i- langzame vermindering der verschijnselen na eeniia ge weken.

Sluiten