Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfstandig vervolg op de „Geschiedenis des Vaderlands" van Arend van 1648 tot 1713 en een nieuwe uitgave van Van Lenneps „Geschiedenis van Noord Nederland" met voortzetting tot 1879.

Vloten, Gerbf van, een Nederlandsch orientalist, den 7den Juni 1866 te Deventer geboren, studeerde te Leiden, en promoveerde aldaar in 1890 tot doctor in de Oostersche talen op een dissertatie: „De opkomst der Abbasiden in Chorasan". In hetzelfde jaar werd bij benoemd tot adjutor van prof. M. J. ■de Goeje en aangesteld tot leeraar in het Hebreeuwsch aan het gymnasium te Leiden. Hij overleed den 208ten Maart 1902. Van hem verschenen: „Abu Abdallah Mohammed ibn Ahmed ibn Jusof, al-Katib, al-Khowarezmi, Liber Mafatih al-Olum explicans vocabula technica scientiarum tam arabum quam peregrinorum" (1895), „Le Livre des beautés et des antithéses, attribué & Abu Othman Amr ibn Bahr al-Djahiz de Basra. Texte arabe" (1898), „Oostersche ■schetsen en vertalingen" (1900), alsmede bijdragen in de Verhandelingen van de Koninklijke Academie van wetenschappen, in het Tweemaandelijksch Tijdschrift, de Kroniek en het Museum.

Vlotgras, Glyceria R. Br., plantengeslacht van de familie der Grassen, pluimgrassen met langwerpige of lijnvormige, veelbloemige aartjes; kelkkafjes korter dan de bloemen, onderste kroonkafjes ongenaald, met gewelfden, bij uitzondering gekielden rug en afgeronden of afgeknotten top; alle op vochtige plaatsen groeiende. De voornaamste soorten zijn: Watervlotgras, (G. ■aquatica Presl. of Catabrosa aqualica P. B.). met meest 2-bloemige, fijne aartjes; piek- of liesgras (G. spectabilis M. K.), een in zoetwater groeiend, hoog opschietend gras; vlot- of mannagras (G. jluitans R. Br.), een over het water hangend gras met zeer lange pluim en zeer lange aartjes; zilt vlotgras (G. distans Wahlb.), een in slooten met brak water voorkomend, veel op watervlotgras lijkend gras en zee\lotgras {G. marilima M. K.), bekend ais kweldergras en algemeen op de kwelders voorkomend, waar het voor weiderij of voor hooiwinning (o.a. op de Dollardkwelders) dient.

Vlotten, hoofdzakelijk dienende tot het vervoer van hout, zijn samengesteld uit een 'aan tal bekapte boomen of balken, door dwarsplanken met elkander verbonden, die daardoor geschikt zijn, om langs de wateren van rivieren en kanalen te worden voortgestuwd. Zij vormen de oudste vervoermiddelen te water. Zware houtsoorten, die niet drijven, worden met lichte houtsoorten vereenigd. Een vlot wordt dikwijls ook voor het vervoer van waren gebruikt, bijv. met hout of houtwaren, die niet gevlot kunnen worden. Vroeger werd veel Russisch graan op vlotten vervoerd. Voor het ankeren van iet vlot dient een dunne boomstam, die door een opening op den bodem van het vaarwater wordt gestooten, voor de voortbeweging dienen staken, voor het sturen lange dunne boomstammen, die voor en achter aan het vlot bevestigd zijn en naar links en rechts bewogen kunnen worden. Op zwak stroomende wateren wordt het vlot gesleept, ook worden wel kleine zeilen gebruikt.

Vlottende Schuld. Zie Staatsschuld.

Vlucht der Vogels. Zie Vliegen.

Vluchthaven. Zie Raven.

Vlugschrift of Brochure noemt men een ge¬

schrift van kleinen omvang, dat gewoonlijk op populaire wijze een van de vragen des tijds behandelt. Gewoonlijk zijn het strijd- en partijschriften.

Vlugt, Wülem, van der, een Nederlandsch staatsman en staathuishoudkundige, werd den 12ien Maart 1853 te Haarlem geboren, ontving zijn voorbereidende opleiding door particulier onderwijs en op het gymnasium zijner geboortestad en werd in 1870 student in de rechten te Leiden, waar hij den 25»ten September 1879 promoveerde tot doctor in de rechtswetenschap op een proefschrift, getiteld: „De gevolgen van den rechtsstaat volgens de leer van Rudolf Gneiss." In dit zelfde jaar werd hij benoemd tot hoogleeraar in de wijsbegeerte en de encyclopaedie van het recht aan dezelfde hoogeschool, waar hij een maand te voren nog leerling was, en hij aanvaardde dit ambt den 14aeB Januari 1880 met een redevoering getiteld: „De wetenschap der gerechtigheid." Hij bewoog zich verder veel op philanthropisch gebied, trachtte in Nederland den zoogenaamden „Toynby arbeid" te bevorderen en maakte door geschriften en redevoeringen stemming voor de „Finsche kwestie." Zijn wetenschappelijke arbeid is voornamelijk verspreid in periodieken, als: „De Gids", het „Rechtsgeleerd Magazijn," „Weekblad van het recht" enz. In 1905 werd hij door het district Leiden gekozen tot lid van de 2de kamer der Staten-GeneraaL Als kamerlid behoorde hij tot de liberale fractie. Hij is lid der redactie van het tijdschrift „Onze Eeuw."

Vltjmen, een gemeente in de provincie NoordBrabant, 1498 H. A. groot met (1910) 3 635 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Bokhoven, Engelen, 's Hertogenbosch, Kromvoort, Heivoort, Drunen, Nieuwkuik en Hedikhuizen. De bodem bestaat in het N. uit klei, in het Z. uit zand. Aldaar vindt men het Vlijmensche Ven, een ondiep meertje. De bewoners houden zich bezig met landbouw, warmoezerij en veeteelt. Tot de gemeente behoort het dorp Vlijmen en een gedeelte van het dorp Haarsteeg.

Het dorp Vlijmen vormt het meest oostelijk gedeelte van de Langstraat. Het is fraai gelegen tusschen zwaar geboomte en kreupelhout. Men vindt er een Roomsch-Katholieke en een Hervormde kerk en een station van de lijn 's Hertogenbosch—Lage Zwaluwe. Volgens oude brieven zou het dorp omstreeks 962 door Rcibert 111 van Heusden zijn gebouwd. Over het bezit van Vlijmen ontstond oneenigheid tusschen Holland en Brabant, die daarmee eindigde, dat het in 1372 aan Holland werd toegewezen.

Vlijmen, B. R. T. van, een Nederlandsch staatsman, in 1843 te Amsterdam geboren, werd in 1863 tot 2aen luitenant der infanterie benoemd en was van 1866 tot 1872 bij het leger in Nederlandsch Oost-Indië ingedeeld. Hij doorliep de verschillende militaire rangen, werd in 1899 tot kolonel bevorderd en in 1903 tot generaal-majoor. Sedert Mei 1888 heeft hij zitting in de Tweede Kamer, gedurende welken tijd hij volgens een bepaling in de Grondwet op non-activiteit werd gesteld. Den 16aen Juni 1905 kreeg hij op verzoek eervol ontslag uit den militairen dienst. Hij is ridder ln de orde van den Nederlandschen Leeuw. Van hem zagen het licht: „Het Bataafsch voetvolk. Krijgshistorische proeve" (1887) en „Vers la Bérésina, 1812, d'après des documents nouveaux" (1908).

XV

42

Sluiten