Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

St. Gudule" en „De min" (1903). Van zijn portretten noemen zij die van burgemeester Duncker van Berlijn en van Virchow.

Vogelbekdieren (Ornithorhynchus) is de naam van een geslacht van monotremata of cloar quedieren (zie aldaar), die zich onderscheiden door het bezit van een snavel, die op dien van en eend gelijkt, een eenigszins saamgedrukt lichaam, dat in sommige opzichten met dat van den bever of den vischotter overeenkomt, korte pooten, waarvan de voorpooten tot graven en zwemmen zijn ingericht, met 5 teenen en zwemvliezen en een platten, breeden afgeknotten staart. Het mannetje, dat grooter is dan het wijfje, wordt ongeveer 60 cm. lang, waarvan 14 cm. op den staart komen; het heeft aan de achterpooten een beweegbare spoor, die men vroeger voor vergiftighield. Een volwassen dier heeft in elke kaakhelft twee hoorntanden, het jonge dier bezit 8 tanden. De vacht van het vogelbekdier bestaat uit dicht bijeengeplaatste grove borstels van een donkerbruine kleur met een zilverachtigen weerschijn, die het zachte, grijze wolhaar bedekken. Zij verbreidt vooral, wanneer zij nat is, een eigenaardige vischlucht. Het dier bewoont stille plaatsen aan rivieren en graaft aan den waterkant een gang van ongeveer 6 m. lengte, die in een ruime kamer eindigt. Het zoekt zijn voedsel, bestaande uit kleine insekten en weekdieren, door met zijn snavel tusschen de wortels en de bladeren van de waterplanten te wroeten. Het wijfje legt eieren met een harde perkamentachtige schaal, die in het nest uitgebroed wordên, de jongen groeien snel in een broedzak, die later weer verdwijnt. Men treft het vogelbekdier in Australië en Tasmania aan. Het vleesch wordt gegeten. De eenige bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de ornitihorynchus anatinus of paradoxus.

Vogelbergen noemt men de plaatsen, doorgaans kleine, onbewoonde rotseilanden in het hooge Noorden, waar sommige zeevogels, vooral zulke uit de familie der alken, in groote scharen verblijf houden om er hun eieren uit te broeden. Zulke vogelbergen doen wel aan reusachtige bijenkorven denken, waar de talrijke paartjes geheel vreedzaam vlak naast elkander verblijf houden om er den broedtijd door te brengen.

Vogelbescherming noemt men de maatregelen, die genomen worden om het uitsterven van de vogels tegen te gaan. In den laatsten tijd zijn dergelijke maatregelen noodig geworden, daar door een intensievere land- en boschbouw, door het aanleggen van spoorwegen, telegrafen en telefonen door electrisch licht, alsook door de intensieve jacht enz. het gebied van de vogels steeds kleiner werd. De bescherming kan bestaan in wetten, die de onmiddellijke vervolging tegengaan, en in praktische maatregelen, die aan de vogels de noodige levensvoorwaarden, vooral gelegenheid om te nestelen, verschaffen. De waarde van beide soorten bescherming wordt zeer verschillend beoordeeld; men neemt thans echter algemeen aan, dat bescherming noodig is. Alle wetten beschermen voornamelijk nuttige vogels, d. w. z., die waarvan men aanneemt dat zij door hun leefwijze, den mensch materiëele voordeelen oplever.en. Hier omtrent loopt echter de meening van de menschen zeer uiteen, daar hun belangen plaatselijk zeer verschillend zijn. Daardoor zijn echter die wetten ook steeds zeer verschillend

geweest. In 1895 heeft men te Parijs een conventie tot bescherming van de voor den landbouw nuttige vogels gehouden, waarop bijna alle Europeesche staten vertegenwoordigd waren. Een aantal landen (Nederland niet) hebben een verdrag gesloten, waarbij zij zich verplichten hun wetten met de op die conventie gemaakte bepalingen in overeenstemming te brengen. De voornaamste bepaling is het verbieden van de vangst in massa's, vooral met netten en strikken. Daar echter een ander artikel zegt, dat de bepalingen van de conventie niet toepasselijk zullen zijn op vogels, die volgens de wetten van het land gejaagd mogen worden, beteekent deze bepaling niet veel. Tot de tweede soort van vogelbescherming behoort het aanplanten van bosschen en struiken, het plaatsen van nestkasten, het verdelgen van de vijanden der vogels en de inrichting van voederplaatsen.

Li Nederland worden de vogels beschermd krachtens de „Wet tot bescherming van diersoorten, nuttig voor landbouw of houtteelt" van den 2bBten Mei 1880, gewijzigd den 16den April 1886, waarvan in 1911 een nieuwe wijziging door de Regeering bij de Volksvertegenwoordiging werd ingediend. Deze wet verbiedt zoowel het vangen, dooden, vervoeren, verkoopen enz. van in het wild levende vogels, nuttig voor landbouw of houtteelt, als het uithalen, vernielen, vervoeren, verkoopen enz. van hun eieren en het verstoren of vernielen van hun nesten. Welke vogels daartoe behooren, werd vastgesteld bij Koninklijk Besluit van den 24811'11 October 1892, gewijzigd den 9den Juni 1893. Verder bezit ons land een Vereeniging tot Bescherming van Vogels (zie Vereeniging tol Bescherming enz.) en is ook de Maatschappij van Landbouw en Nijverheid in dien geest werkzaam.

Vog-eler, Heinrich, een Duitsch schilder en etser, geboren den 12den December 1872 te Bremen, bezocht van 1891—1893 de kunstacademie te Düsseldorf en vestigde zich in 1894 te Worpswede, waar hij in de kunstenaarskolonie aldaar een geheel zelfstandige richting vertegenwoordigt. Zijn werken behandelen onderwerpen uit sprookjes of motieven uit het leven van den kunstenaar. Van zijn schilderijen noemen wij: „Wintersprookje", „Lente", „Terugkeer", „Boodschap", „Mijn huis", en „Juninacht", van zijn etsen: de 12 bladen bij Hauptmanns „Versunkene Glocke" en het vervolg daarop „Aan de lente" (10 bladen). Daarenboven ontwierp hij de nieuwe inrichting voor de gildenkamer in het stadhuis te Bremen en bewoog hij zich ook verder op, het gebied der kunstnijverheid (kamerinrichtingen, metaalwerk enz.) en op dat van de boekdrukkunst (ex libris, boekversiering). Ook publiceerde hij een bundel gedichten „Dir" (2"e druk, 1907).

Vogelg-ebergte of Vogelsberg is de naam van een basaltgebergte van Midden-Duitschland, door het Kinzigdal van den Spessart en door het dal van de Fulda van den Rhön gescheiden; met laatstgenoemd gebergte is het door den Landsrücken verbonden. Het grenst in het noorden aan de Hessische bergstreek en in het westen is het door het dal van de Lahn en door de Wetterau gescheiden van het Leisteengebergte van den Rijn en van het Taunusgebergte. Het heeft een middellijn van 45— 50 km. en vormt in zijn geheel een weinig gewelfde hoogte, die zich aan den rand tot het Oberwald verheft. Dit laatste is een onbewoonde, met loof boomen-

Sluiten