Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

St. Petersburg en vertrok in 1813 naar Italië. In 1820 benoemd tot hoogleeraar aan de academie te Dresden, schilderde hij daar een aantal portretten. Van zijn grootere werken noemen wij de plafondbeschildering in de eetzaal van het koninklijk slot te Pillnitz en de fresco's in de kapél aldaar. Andere altaarstukken van zijn hand bevinden zich in den dom te Naumburg, te Wolmar en te St. Petersburg. In 1842 vertrok hij weder naar Italië, waar hij een compositie uit Dante's „Divina Commedia" uitvoerde. Na zijn terugkeer schilderde hij nog 2 tafereelen uit Darde en 12 uit Goethës „Faust" benevens altaarstukken voor de R. Katholieke kerk te Leipzig en de hofkerk te Dresden. Nadat hij in 1853 als hoogleeraar ontslag genomen had, vestigde hij zich te München. Hier overleed hij den 4den Maart 1868.

Vogelvrij (exlex) noemt men iemand, die wegens een zware misdaad van alle wettelijke bescherming vervallen is verklaard, zoodat ieder hem ongestraft kan dooden. Vroeger kwam dat meermalen voor. Ook lag in de vogelvrijverklaring wel eens de oproeping, om den schuldige dood of levend te grijpen en uit te leveren. Dat was bijv. het geval met de vogelvrijverklaring, door de Verbonden

Mogenüneücn uitgesproken over Napoleon 1, toen deze van Elba terugkeerde.

Vogelweide. Zie Wather von der Vogelweide.

Voget, Albertus, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Bremen den 17den Maart 1695, studeerde te Utrecht, werd daarop predikant te Heemstede, vervolgens te Middelburg en aanvaardde hier in 1721 tevens het hoogleeraarsambt. De theologi-

scne jacuiteit te utreent verleende nem den rang van doctor in de godgeleerdheid. In 1727 werd hij benoemd tot hoogleeraar te Groningen en in 1735 te Utrecht, waar hij den 238t<m April 1771 overleed. Behalve „Orationes" en „Redevoeringen", schreef hij: „Institutiones theologiae Christianae" (1739) en „Verklaring van den lBten Brief van Johannes" (2 dln., 1774).

Vogezen (Wasgenwald, Wasgau, Vosagus of les Vosges) is de naam van een gebergte, dat tot het bergstelsel van den Boven-Rijn behoort. Het verheft zich in de richting van het zuid-zuidwesten naar het noord-noordoosten aan de westzijde van de Boven-Rijnsche laagvlakte en wel met het hoogere, zuidelijke gedeelte op de grenzen van Duitschland (Elzas) en Frankrijk en met het lagere, noordelijke gedeelte geheel op Duitsch grondgebied. Eerstgenoemd gedeelte gelijkt op het aan de andere zijde dier laagvlakte gelegen Zwarte Woud, keert evenzeer zijn steilsten kant naar de zijde der rivier en bestaat uit graniet, gneis, Devonisch gesteente, roodliggend, bonten zandsteen, porfier enz. en strekt zich uit van het Trou de Belfort (362 m. boven den zeespiegel), die de Vogezen van het Juragebergte scheidt en waardoor spoorwegen en het Rijn-Rhönekanaal loopen, tot aan den Donon bij de bronnen der Saar over een lengte van 100 en een breedte van ruim 60 km. In het zuidelijk gedeelte neemt de bergkom een aanvang met den Ballon d'Alsace 1246 m. en schrijdt langs de Duitsch-Fransche grenzen voort tot aan den Donon. Daar verheffen zich de Gresson (1124 m.) en de Dumont (1222 m.) verder de Grand Ventron (1200 m.), de Rheinkopf (1319 m.) de Honeck (1366 m.), de Tanet (1296 m.), de Kruppenfels (1255 m.), de Col de Bonhomme (1086 m., en de Donon (1008 m.). Zeer verschillend

is de helling aan de beide zijden; terwijl zij aan den westkant langzaam afdaalt tot de hoogvlakte van Lotharingen, is zijjaan den oostkant op^vele plaatsen zeer steil. De dalen onderscheiden zich door bevalligheid of door grootsche natuur; zij zijn bewoond door een aanzienlijke en nijvere bevolking en men heeft er fraaie weilanden en talrijke fabrieken. Onder de toppen van de zijketens zijn van belang: de Roszberg (1191 m.), de Sulzer Belchen (1423 m.), de Ivleinkopf (1333 m.), de Stemberg (1220 m.), de Kleine Belchen (1268 m.), de Hörnleskopf (1040 m.) en de Bressoir (1231 m.). Vroeger werd er zilver, koper en lood gewonnen, en men vindt er ook ijzererts. Pogingen om den mijnbouw te doen herleven, hebben geen resultaat gehad. De wateren, die van het gebergte afdalen, stroomen meestal naar de Moezel en behooren alzoo tot het stroomgebied van den Rijn. Onderscheiden wegen leiden over dit gedeelte van het gebergte, ook heeft men een aantal spoorwegen aan beide'zijden ver in het gebergte aangelegd, geen enkele 'echter overschrijdt tot nu toe den top.Naaldboomen hebben de overhand, hier en daar vindt men kleine meren en moerassen.

Het noordelijk gedeelte bestaat bijna geheel uit bonten zandsteen, waar hier en daar graniet, gneis, porfier enz. doorheen dringen. Het is veel lager dan het zuidelijk gedeelte en neemt een aanvang bij de bronnen van de Saar en de Zorn. Hier bevinden zich de hoogste toppen, ten noorden van den pas van Zabern heeft men geen top met aanzienlijker hoogte dan 600 m. Daar de hoogste punten nabij den oostelijken rand gelegen zijn, die door beken sterk is ingesneden, zoo draagt het landschap hier meer de kenmerken van een bergstreek dan het westelijk deel. Over dit gedeelte loopen twee spoorwegen, een van Straatsburg naar Parijs en een va» Haeenau naarlSaareemünd. eerstgenoemde door den

bergpas van Zabern, waarlangs ook het Rijn-Marnekanaal gegraven is. Bij Niederbronn vindt men ijzer, tusschen Pfalzburg en Bitsch groote bosschen. Het oostelijk gedeelte vertoont zich verder noordwaarts als een bevallige heuvelstreek met welvarende dorpen en nijvere steden. Ook heeft men er minerale bronnen (Niederbronn en Plombières). De bevolking van het gebergte behoort gedeeltelijk tot den Franschen, gedeeltelijk tot den Duitschen taalstam.

Vogezen of Vosges, een departement van Frankrijk op de westelijke helling van het zui¬

delijk deel van het evenzoo genoemde gebergte, is gevormd uit verschillende kleine landschappen van de voormalige provincies Lotharingen, Champagne en Franche-Comté, maar werd volgens het Vredestractaat van 1871J in het noordoostelijk gedeelte verminderd met een oppervlakte van 216 v. km. Het grenst in het oosten aan het Duitsche Rijksland Elzas, in het noorden aan de departementen Meurthe-et-Moselle en Meuse, in het westen aan Haute Mame en in het zuiden aan Haute Saöne. Het telt op 5903 v. km. (1906) 429 812 inwoners. Het land is grootendeels bergachtig, in het oostelijk gedeelte met het boschrijke Vogezengebergte en verder met zijn uitloopers (Monts Faucilles) bedekt en wordt door de Moezel, de Maas en de Saöne met haar zijrivieren besproeid. De minerale bronnen van Plombières zijn zeer bekend. Het klimaat is in den winter zeer koud, in den zomer

Sluiten