Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en stichtte in 1836 met H. Conscience, Th. van Rijswijck en anderen de rederijkerskamer: „De Olijftak". In 1840 vestigde hij zich te Brussel, was er beëedigd translateur en chef de bureau bij de Belgische Algemeene Verzekeringmaatschappij en stichtte er in 1842 liet Nederduitsch letterkundig genootschap en in 1849 het Vlaamsch Middencomiteit. Hij was een der ijverigste leden van het Nederduitsch Taalverbond en secretaris van het derde en vijfde Nederlandscli Taalcongres en van de Commissie der Vlaamsche Taalgrieven. Hij ontving den naam van „Schildwacht der Vlaamsche beweging". In 1868 woonde hij te Brussel in de voorstad Schaarbeek en weigerde belasting te betalen, omdat de regeering hem geen ander biljet wilde sturen dan in de Fransche taal. Het hierover gevoerde rechtsgeding kostte hem zijn vermogen. Hij overleed te St. Joos-ten-Oode bij Brussel den 8sten Februari 1867. Van zijn geschriften noemen wij: „Gebeurtenissen van Antwerpen sedert 1830 tot den l8ten September 1833 enz." (1833), „Coup d'oeil sur la langue et la littérature Flamande en Belgique, considérée comme langue et littérature nationale" (1837), „Aan de nagedachtenis van onzen teergeliefden vader Michiel Johan van der Voort enz." (1839), „Un mot sur la question d'orthographe flamande" (1839), „Schets der geschiedenis van de regeering van Karei den Stoute" (1842), „Les avantages de 1'orthographie flamande, proposée par la commission royale"(1842), „Het vaderland, tijdschrift voor letteren en geschiedenis" (1844— 1846), „Levensschets van Maximiliaan den Eersten" (1844), „Oorsprong en voortgang der Bourgondische Vorsten in België" (18441. ..Schets eener ge¬

schiedenis der Belgische letterkunde" (1844) „Noord en Zuid, vluchtig oogslag op de algemeene geschiedenis" f1846). „Verslas over de beginselen

van het Vlaamsche taelverbond, gedaen namens het Nederduitsclie taal- en letterkundig genootschap te Brussel" (1846), „Maria vitn Burgonje" (1847), „Aen de heeren leden en bestuurders van het Tweede Nederlandsch Congres te Amsterdam" (1860), „Twee geslachten. Geschiedenis der oorlogen tusschen Frankrijk, Engeland-en België, 1066—1816" (1860) en „Het droombeeld eener wereldtaal" (1867). Ook leverde hij vele opstellen in dagbladen en tijdschriften.

Voortbrenging- is dat deel der staathuishoudkundige wetenschap, dat zich bezig houdt met de verschillende elementen van het productieproces, als natuur, kapitaal, arbeid, den ondernemersdienst en alle vraagstukken, die daarmede samenhangen als arbeidsverdeeling en arbeidsvereeniging, bedrijfsvormen, concentratie van het bedrijf enz. Zie onder al die woorden en onder productie.

Voorteekens, noemt men de teekens, waaraan sommigen het op handen zijn van de een of andere gebeurtenis meenen te bespeuren. Het bijgeloof hecht groote waarde aan voorteekens, die in goede en slechte worden onderscheiden. Vooral de laatste spelen een groote rol. Hiertoe behooren het roepen van den koekoek, van een uil, het kloppen van een houtkever, het huilen van een hond, het zien van een zwarte kat, een h aas, een priester, een . zieke, een lijkwagen enz. Ook het geloof aan de beteekenis van het suizen in de ooren, van den hik, het jeuken van de oogen enz. is nog zeer verbreid.

'Voorteekens, in de wiskunde de benaming

van de teekens + en — (plus en minus), dienen om aan te geven, dat de grootheid, waarvoor zij geplaatst zijn, positief, resp. negatief is.

Voortplanting; noemt men het ontstaan van nieuwe organismen uit oude. Voorbeelden van het ontstaan van een organisme uit anorganische stoffen zijn niet bekend. Men onderscheidt een ongeslachtelijke en een geslachtelijke voortplanting. In het eerste geval kan het organisme in 2 of meer deelen van ongeveer gelijke grootte uiteenvallen (voortplanting door deelen), ook kan het kleinere uitwassen vormen, die zich tot een nieuw organisme ontwikkelen (voortplanting door knopvorming). De ongeslachtelijke voortplanting komt vooral voor bij eencellige en lagere meercellige dieren, verder ook bij sommige metazoën. Soms maken de deelen of knoppen zich los van het moederhuis, in andere gevallen blijven zij er mede verbonden, waardoor dan koloniën ontstaan, waarvan de afzonderlijke individuen door bepaalde stelsels van organen met elkander in verbinding staan en inzonderheid met betrekking tot de voeding van elkander afhankelijk zijn. Bij sommige diervormen geven afzonderlijke cellen, die zich in het inwendige van het lichaam afscheiden, aanleiding tot het ontstaan van een nieuw individu.

Bij de geslachtelijke voortplanting vereenigt zich een mannelijke cel (spermatozoon) met een vrouwelijke cel (ei, zie aldaar). Dit proces, dat men bevruchtig noemt, geeft aanleiding tot de ontwikkeling van een nieuw organisme. In het eenvoudigste geval worden deze geslachtscellen bij de dieren op

verschillende plaatsen m net ncnaam gevorma, gewoonlijk in afzonderlijke organen (eierstokken en teelballen), die hun inhoud door afvoerbuizen ontlasten. Dieren bij wie de eieren en het zaad in hetzelfde individu ontstaan, noemt men hermaphroditen (zie aldaar). Meestal echter, en bij de hoogere dieren bijna zonder uitzondering, zijn de geslachten gescheiden (gonochorisme). Men vindt echter, vooral tijdens de ontwikkelingsperiode van een aantal dieren, sporen van hermaphroditisme. Bij sommige dieren kunnen zonder voorafgaande bevruchting eieren tot ontwikkeling komen; dit verschijnsel noemt men parlhenogenesis (zie aldaar). Terwijl bij de deeling en de knopvorming de nieuwe individuen dikwijls reeds van den aanvang af veel op de oude gelijken, doorloopt het organisme, dat zich uit de eicel tot een nieuw individu ontwikkelt, een groot aantal stadiën. Deze veranderingen spelen zich meestal in het omhulsel van het ei af en leiden tot het ontstaan van het embryo (zie aldaar), dat, nadat het het ei verlaten heeft, meer of minder op het volwassen dier gelijkt, of daar van verschillend is. In het laatste geval hebben er nog een aantal veranderingen plaats, die men gedaanteverwisseling of metamorphose (zie aldaar) noemt. Zie verder Ontivilckelingsleer en voor de afwisseling van geslachtelijke en ongeslachtelijke dieren het artikel Metagenesis.

In het plantenrijk treedt de ongeslachtelijke, ook asexueele of vegetatieve voortplanting genoemd, meestal daar op, waar door bijzondere omstandigheden de geslachtelijke voortplanting verhinderd wordt. Laatstgenoemde ontbreekt bij sommige lagere planten geheel. Bij de eencellige algen en zwammen heeft een deeling van de cel plaats, bij de meeste andere ongeslachtelijke planten vormen zich afzonderlijke organen (ongeslachtelijke, re-

Sluiten