Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lende contracten. Hun voorrechten bestaan thans voornamelijk in: hun landelijk stelsel (zie Landrente), de benoeming van hun ambtenaren, behalve den rijksbestuurder, en hun verschillende prerogatieven, als titel, pajongs, lijfwachttroepen enz. Het ambt van rijksbestuurder, de machtigste ambtenaar na de vorsten, is ingesteld in 1743. De vorst is eigenaar van den bodem; hij geeft dien ter bewerking aan zijn onderdanen, die daarvoor een gedeelte van de opbrengst ontvangen. Zie verder Soerakarta en Djokjokarta.

Vorsterman, Lucas, een Hollandsch-Vlaainsch graveur, werd geboren te Zalt-Bommel in 1595 en overleed in 1675. Hij is een der beroemdste Rubens-graveurs. Reeds in 1620 verkreeg hij het burgerrecht te Antwerpen en in dat zelfde jaar verschenen zijn eerste prenten naar Rubens. In 1624 ging hij naar Engeland, waarschijnlijk daartoe uitgenoodigd door den Graaf van Arundel. Hij bleef daar tot 1630 en werkte er o. a. voor den koning en vele hooge personages. Waarschijnlijk maakte hij in dien tijd gravures naar schilderijen van Van Dyck, Hoïbem en Rafaël, die zich in Engeland bevonden. In 1631 treffen wij hem wederom in Antwerpen aan. Voor Rubens werkten toen andere graveurs, zoodat Vorsterman slechts nog enkele prenten voor zijn vroegeren meester maakte. Hij werkte nu veel voor Van Dyck, graveerde o. a. verscheidene prenten voor diens Iamographie, die tot zijn beste gravures behooren. Als bewijs hoe goed hij ook genrestukjes uit het dagelijksch leven wist weer te geven, mogen zijn prenten naar Pieter Brueghel den Oude dienen.

Vorsterman van Oyen, George August, een Nederlandsch opvoedkundige, geboren te Gilze en Rijen in Noord-Brabant den lid™ Juli 1836, bezocht verschillende scholen, werd op 16-jarigen leeftijd kweekeling aan de Christelijke normaalschool te Nijmegen en verwierf, behalve den onderwijzersrang, acte voor het Hoogduitsch en Fransch. In 1854 werd hij hulponderwijzer te Nieuw-Loosdrecht, doch keerde weldra naar de ouderlijke woning te Moergestel terug, om zijn studiën voort te zetten. Nadat hij examen had afgelegd in het Engelsch en in de wis- en natuurkunde, behaalde hij het diploma van hoofdonderwijzer en de acte voor landbouwkunde, en nadat hij korten tijd als leeraar in de wis- en natuurkunde aan het gymnasium te Winschoten was werkaaam geweest, werd hij in den aanvang van 1860 hoofdonderwijzer te Aardenburg. Van zijn werken noemen wij: „Archief der wiskunde"(2 dln., 1867), „De deelbaarheid der geheele getallen"(1865), „Theorie der algemeene rekenkunde" (2 dln., 1866), „CXLIV vraagstukken van rekenmeesters der 17de eeuw enz."(1867), „Theorie der algebra"(2 dln., 1870), „Lessen over de cijferkunde"(3 stukken,1872), „Handboek voor de theorie en de praktijk der meetkunde"^ dln., 1874), „Meetkunde voor eerstbeginnenden"(2 stukken, 1880), „Practiseh rekenboek voor de volksschool"(6 stukjes, 1875), „Fransche volzinnen"(2 dln., 1871), „Bloemen en vruchten" (1875), „Eenvoudige spelregels voor de volksschool" (1880), „De behandeling der fruitboomen", „Handboek voor den landman en den hovenier", „Zuidhollandsche wijze van zuivelbereiding"(1883), „Berenning van Aardenburg in 1672"(1872), „Mijn grieven tegen de wetten op het lager en middelbaar onderwijs" en „Heeft de christelijke school reden van be¬

staan?" Verder schreef hij een groot aantal artikelen in binnen- en buitenlandsche tijdschriften, alsmede redevoeringen en dagbladartikelen. In 1873 stichtte hij: „Vooruit! Weekblad voor school en huis", werd in het daarop volgende jaar medewerker aan het „Sluisch Weekblad", stichtte, toen dit blad in andere hai den overging, het „Weekblad voor Zeeuwsch Vlaanderens westelijk deel", dat getuigenis gaf van zijn liberale richting, en richtte een vrijzinnige kiezersvereeniging op onder den naam:„Vereeniging tot bevordering van 't volksonderwijs in 't kanton Oostburg". Als voorzitter van deze vereeniging hield hij de redevoeringen: „De school met den Bijbel is in strijd met God en Maatschappij", „De Kerk misleidt, de wetenschap voert tot God", „De strijd van 't oogenblik" en „Onze staatkundige partijen", welke alle in druk zijn verschenen. Ook stichtte hij een drietal maatschappijen onder de namen: „Welbegrepen eigenbelang, vereeniging tot aankoop van gewaarborgde meststoffen en zaden", „Maatschappij tot bevordering van ooft- en tuinbouw in 't kanton Oostburg" en „Vereeniging tot onderlinge verzekering tegen hagelschade in 't IVde district". Verder bekleedde hij in de plaats van zijn inwoning een aantal eereposten. Door het Zeeuwsch genootschap van kunsten en wetenschappen, door het Noord-Brabantsch Genootschap, door het Historisch Genootschap te Utrecht en door de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden werd hem het lidmaatschap opgedragen. Hem werd in 1893 het algemeen secretariaat opgedragen van de Maatschappij tot bevordering van landbouw en veeteelt in Zeeland. Sedert langen tijd heeft hij voor het distrikt Oostburg zitting in de Tweede Kamer. Aan de lijst zijner geschriften is nog toe te voegen „Rechtsbronnen der stad Aardenburg"(1892), „Het pachtstelsel. Grieven en wenschen"(1896).

Vorsterman van Oyen, Anthonie Abraham, een Nederlandsch heraldicus, een broeder van den voorgaande, geboren te Moergestel bij Oisterwijk den 6aen Augustus 1845, beoefende reeds vroeg de geschiedenis, inzonderheid van Nederland. Als knaap verzamelde hij zegel- en lakafdrukken en dit gaf later een bepaalde richting aan zijn streven. Op 18-jarigen leeftijd verschenen van hem: „Notices généalogiques et historiques sur la noble familie de Dopff". Met mr. G. D. Franquinet leverde hij: „Annuaire généalogique des Pays Bas"(3 dln., 1871— 1876). Bij het tweede huwelijk van Willem III schreef liij het prachtwerk: „Het Vorstenhuis van Waldeck —Pyrmont, benevens de uitgestorven en grafelijke takken van dit Stamhuis, met portretten en wapenplaten". In het volgend jaar werd doorhem het plan ontworpen om een tentoonstelling te 's Gravenhage te houden van alles, wat betrekking had op het Huis „Oranje-Nassau" en op de geslacht-, wapen- en zegelkunde, waarvoor hij een uitvoerigen catalogus vervaardigde. Daarna leverde hij het prachtwerk: „Het Vorstenhuis Oranje-Nassau van de vroegste tijden tot heden. Met een inleiding van dr. L. R. Beynen en een gedicht van J. J. L. ten Kate" en het standaardwerk: „Stam- en wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche geslachten". Hij bezit een belangrijke verzameling van alles, wat op geslacht-, wapen- en zegelkunde betrekking heeft. Een répertoire daarop verscheen in 1884 onder den titel van „Dictionnaire Nobiliaire". Bij feestelijke gelegenheden verschenen nog van hem afzonderlijk de

Sluiten