Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschiedenissen van de geslachten Hooft, Hugo de Grool, Beets, Ver Huell enz. Met medewerking van G. J. Honig (1887) redigeerde hij het: „Algemeen Nederlandsch Familieblad, tijdschrift voor geschiedenis, geslacht-, wapen-, zegelkunde enz." Hij was jarenlang voorzitter van de Haagsche tuinbouwvereeniging en secretaris van verschillende wetenschappelijke instellingen. Een groot aantal geleerde genootschappen in Europa droeg hem het oere-, correspondeerend en gewoon lidmaatschap op, terwijl het Kruis van Verdiensten van Waldeck en Pyrmont hem werd toegekend,alsook de Gouden Medaille van Verdiensten van den groot-hertog van Nassau en een tweetal gouden medailles van Italië. Van hem zag nog liet licht: „Genéalogie van het geslacht van Oyen, Cock van Oyen, van Oyen zu Fürstenstein en Vorsterman van Oyen"(1888), „Het vorstenhuis Waldeck en Pyrmont"(1889), „Het geslacht van Holthe en van Holthe tot Echten (1814—1894)" (1894), „Algemeen woordenboek der aardrijkskunde". (In samenwerking met J. P. mnMaanen, 1903), „Voor- en nageslacht van Michiel Adriaanz. de Ruyter"(1907), „Bibliographie des ouvrages, plaquettes, articles de revues et de journaux sur les ex-libris" (1910), „Les dessinateurs néerlandais d'ex-libris" (1910), „Les marqués d'imprimeurs"(1910).

Vorst Primas. Zie Primas.

Vorwarts, het centraal orgaan van de Duitsche Sociaal-Democratische Partij, werd den lBten October 1890 gesticht, als voortzetting van het in 1884 opgerichte „Berliner Volksblatt", welken naam het als ondertitel voert. Het verschijnt dagelijks in een oplaag van ongeveer 120000 exemplaren. Als Zondagsbijblad wordt het geïllustreerde blad „Die Neue Welt" uitgegeven. De batige saldi der exploitatie komen ten voordeele van de partijkas. Hoofdredacteur was van 1890 tot aan zijn dood (1900) W. Lielknechl. Thans is Hans Weber verantwoordelijk redacteur.

Vos (Vulpes) is de naam van een geslacht uit de familie van de Honden, dat zich van het geslacht van de Wolven onderscheidt door een langwerpigen romp, die een weinig scheef geplaatst is, korte pooten, een langen, dicht en ruig behaarden staart, een verlengden schedel, een spitsen snuit en een langwerpig ronde pupil. Hij wordt 90 cm. lang, waarbij een staart van 40 cm. komt, 35—38 cm. hoog en 7— 10 kg. zwaar. Zijn kop is breed, zijn voorhoofd plat en zijn snuit lang en dun; zijn oogen zijn schuins geplaatst, en hij heeft opstaande ooren. Hij is slank, maar sterk van lichaam en heeft dunne, korte pooten. Zijn dichte, zachte pels is vaal grijsachtig rood; aan het voorhoofd, de schouders en achter op den rug eenigszins wit, aan de lippen, de wangen en de keel wit, aan de borst en den buik aschgrauw ,aan de zijden witgrauw en aan de ooren en de teen en zwart. De staart is geelachtig rood, zwart gewolkt en wit aan de punt. Op het midden van de bovenste staarthelft bevindt zich een klier, die een onaangenaam riekende vloeistof afscheidt. De grootste en schoonste exemplaren van de vossen vindt men in het Noorden ; hij wordt kleiner, zwakker en minder rood naar mate men verder naar het Zuiden komt. Men vindt de roofde vossen nog in het noorden van Afrika, alsmede in het westen en noorden van Azië en zelfs in Noord Amerika. Hier en daar zijn ze in grooten getale voorhanden, maar ook onder ongunstige omstandigheden ontbreken zij niet geheel en al. Zij le¬

ven paarsgewijs in holen met vertakte gangen, die op een verblijf met een middellijn van 1 m. uitloopen. Zeiven graven zij niet gaarne holen, maar maken veelal gebruik van die van dassen. Het geheele verblijf heeft wel eens een omvang van 15 m., daarenboven hebben de vossen gewoonlijk hulpverblijven, waarin zij in geval van nood een wijkplaats vinden. Bij ongunstig weder, in den heeten zomer, in den paartijd en in den tijd, dat het wijfje jongen heeft, houdt de vos zijn verblijf in het hol, anders zwerft hij gewoonlijk rond of vertoeft in het riet, in graanvelden of op een steen of boomstam, waar hij zich koestert in de zon. Hij is lichamelijk en geestelijk zeer bevoorrecht, voorzichtig, berekend, listig en vastberaden, hij heeft een goed geheugen en een goed oriënteeringsvermogen. Li het algemeen gaat hij des avonds uit op roof, op stille plaatsen, midden in den zomer en bij sneeuw ook pverdag. Hij vangt muizen, kevers, wespen, bijen, sprinkhanen, rupsen, pieren, visschen, kreeften, hazen, konijnen, ree- en hertekalveren, broedende vogels en pluimgedierte. Verder rooft hij uitde tuinen peren, pruimen, druiven en aalbessen. Ook eet hij doode dieren en verschoont zijn soortgenooten niet. Hij rooft nooit in de nabijheid van zijn hol. Niet licht wordt hij in een val gevangen. Waar hij zich veilig gevoelt, dikwijls ook in nijpend gevaar, is hij onbeschaamd en bloeddorstig en doodt veel meer dieren dan hij nuttigen kan. Het geluid, dat hij maakt, is een kort geblaf, eindigend met een schel gekrijsch, doch volwassen vossen laten het slechts zelden hooren. De bronstijd van deze dieren valt in Februari en Maart, en tegen het einde van April of het begin van Mei werpt de vrouwelijke vos 3 tot 12 jongen, meestal 4—7, die 10 dagen blind zijn en door de ouders met groote liefde worden behandeld. Zij worden aanvankelijk door het mannetje, later ook door het wijfje van levende muizen, kikvorschen, kevers, vogels enz. voorzien; reeds in Juli beginnen de jonge vossen zelf voor hun onderhoud te zorgen. Tegen het einde dezer maand verlaten zij met de moervos het hol, en laat in den herfst scheiden zij ook van laatstgenoemde.

Wanneer men vossen op jeugdigen leeftijd vaii^t, kan men hen gemakkelijk tam maken en aan het voedsel van honden gewennen. Zij worden 12 tot 15 jaar oud en hebben dergelijke ziekten als de honden, ook dolheid. De wolf verslindt den vos, en de honden verscheuren hem, de havik maakt zich van jonge en de steenarend ook van oude vossen meester. Wegens het nadeel, dat hij toebrengt aan het wild, wordt de vos ijverig vervolgd, al is hij overigens meer nuttig dan schadelijk, door het verslinden van veel muizen; maar wegens zijn listigheid is het moeilijk hem te vangen. Dit geschiedt op zeer verschillende wijzen. In de eerste plaats graaft men het hol, waarin de jonge en oude vossen vertoeven uit. Ook wordt de vos wel door dashonden uit zijn hol gedreven en dan doodgeschoten. Verder aoodt men hem op drijfjachten of legt zoogenaamde schiethutten aan en brengt op schotwijdte daarvan aas. Ook gebruikt men vossenvallen. Li Engeland behoort de vossenjacht tot de meestgeliefde uitspanningen der jagers.

De pels van de vossen heeft veel waarde (zie Fossenvsllen),doch alleen vandiedieren, dievanNovember tot Maart geschoten zijn. Het vleesch, de ruggegraat en vooral de gedroogde lever golden vroeger als geneesmiddel. Dioskorides noemt^vossenvet als een middel tegen oorpijn. De jagers noemen de lich-

Sluiten