Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de la Paix te Parijs, de Ligue internationale de la paix et de la liberté te Genève en Parijs, de Lega della fratellanza, pace e liberla te Milaan, de Pia e nobile Compagnia della Pace te Palermo, de Nordisk Forening mod Krig te Christiania, de Universal Peace Union te Philadelpliia en Vrede door Recht in Nederland. Als propagandisten voor het denkbeeld van den wereldvrede zijn vooral bekend geworden: Bertha von Suttner (bekroond met den Nobelprijs), William Stead, Alfred Fried, baron de Neufville en dr. Leopold Katscher. Zie ook Vredesconferentie en Arbitrage volkenrechtelijk).

Vredesbeweging. Zie Vrede.

Vredesconferentie ook Haagsche conferentie geheeten, is de naam van een internationale bijeenkomst, welke op nitnoodiging van Nicolaas II van Rusland, voor het eerst van den 18aen Mei—den 29sten Juli 1899 te 's Gravenhage plaats had. Oorspronkelijk heette zij Ontwapeningsconferentie, daar Nicolaas II zich voorstelde door onderlinge bespreking tot algemeene ontwapening te komen. Zij was verdeeld in 3 commissies. De eerste behandelde inzonderheid de vraag, hoe een beperking der oorlogstoerustingen kon worden verkregen? De tweede beraadslaagde over de verbetering van het oorlogsrecht en de derde moest een ontwerp-overeenkomst voor de arbitrage-en scheidsgerechten ontwerpen. Zooals te voorzien was, werd de oorspronkelijke bedoeling niet verwezenlijkt. Wel werden een drietal conventies omtrent de vreedzame beslechting van internationale geschillen, de wetten en gebruiken in den oorlog te land en de toepassing van de grondslagen der Conventie van Genève van den 22sten Augustus 1864 op den zeeoorlog, benevens een drietal verklaringen omtrent het verbod van het gebruik van schietwerktuigen en springmiddelen van uit luchtballons of dergelijke toestellen, van dat van geschut, dat uitsluitend bedwelmende of verstikkende gassen verspreidt, en vandatvandum-dumkogels aangenomen, maar deze conventies en verklaringen werden niet door alle staten onderteekend. Verschillende andere onderwerpen werden ter behandeling op latere conferenties aangehouden.

Ben tweede vredesconferentie kwam, op initiatief van den toenmaligen president der Vereenigde Staten v. N. Amerika, Roosevelt, den 15den Juni 1907 te 's Gravenhage bijeen. In een aantal zittingen tot den 18aen October 1907 werden een 13 tal conventies en één verklaring aangenomen, welke tot den 30sten Jujjj 1908 konden worden geteekend. Bovendien nam deze conferentie eenstemmig een lange verklaring aan, waarin wordt opgemerkt, dat de mogendheden een neiging tot aanvaarding van het denkbeeld der verplichte arbitrage getoond hebben, terwijl deze worden uitgenoodigd om aan de steeds toenemende oorlogslasten haar aandacht te wijden. Verder sprak zij een aantal wenschen uit, waaronder die nopens het samenroepen van een derde vredesconferentie. Zie ook Arbitrage (volkenrechtelijk).

Vredeskus was in de Oud-Christelijke Kerk de kus, dien men bij het Avondmaal of bij andere kerkelijke plechtigheden elkander placht te geven als teeken van volledige verzoening. Daar de heidenen aanstoot aan dit gebruik namen, schreven reeds de apostolische constituties scheiding der geslachten ten aanzien van den kus voor. Het gebruik hield zich in de Westersche Kerk tot in de 13de eeuw staande en werd in den nieuweren tijd weder door de Hern¬

hutters ingevoerd. In de Grieksche Kerk neemt op den Paaschmorgen, na de verkondiging van de Opstanding, de hoogste geestelijke van de kerk plaats op de galerij voor de iconostase om, nadat hij alle priesters heeft gekust, ieder lid der gemeente, dat hem nadert, zijn kus en zegen te geven met de woorden: „Christus is opgestaanl",waarop het antwoord volgt: „Waarlijk, hij is opgestaan!" Hierop kussen de aanwezigen elkander, naar de geslachten gescheiden, onderling. De kus, dien een nieuwgekozen paus bij de adoratie in de St. Pieterskerk aan ieder van de kardinalen geeft, heet eveneens vredeskus. Ook in het Russische hofceremonieel bestaat de vredeskus nog.

Vreede, Pieter, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Leiden den 8sten October 1750, was jaren lang lakenfabrikant te Tilburg en speelde ook op staatkundig gebied een niet onbelangrijke rol. Van zijn geschriften vermelden wij: „De bloedraad of de gevloekte samenzwering op het Loo"(tooneelspel, onder het pseudoniem Harmodius Friso, 1786), „Proeve om de verheffing van het fabriekswezen te vereenigen met de belangen van den koophandel, zeevaart en landbouw"(1802), „Vervolg der proeve" (1803), „Reize door Afrika voor jongelieden"(1814), „Karei en Louise of de beoordeelingen der wereld" (1814), „Herman en Hermine of tafereelen van liefde en vriendschap"(1819), „George van Waardestein" (2 dln., 1821), „Proeve over de vrijheid des zeehandels en de waarde der nationale nijverheid in verband met de grondbeginselen eener verlichte staatkunde"^ dln., 1825), „Karakterschetsende tafereelen uit het begin der XIXde eeuw"(2 dln., 1826) en „Het stelsel ter vereeniging der belangen van zeehandel, nijverheid en landbouw"(1829). Hij overleed den 21Bten September 1837 te Heusden.

Vreede, George Willem, een Nederlandsch staatkundige, een zoon van den voorgaande, geboren te Tilburg den llden April 1809, studeerde te Gent, te Leuven èn te Leiden, promoveerde in 1831 in de rechten, vestigde zich in 1832 als advocaat te 's Gravenhage, was van 1832—1841 te Gorinchem in die betreding werkzaam en werd toen benoemd tot hoogleeraar in de rechten te Utrecht. Hij schreef: „Proeve eener lofrede op Karei den Groote"(1828), „Geschied- en letterkundige herinneringen"(2 stukken, 1835), „Iets bij den dood van Gijsbrecht Karei, Gravevan Hogendorp"(1835), „De verdiensten onzer voorouders in liet vak der diplomatie vluchtig geschetst"(1835), „Iets over Jacob en Wilhelm Grimm, hoogleeraren te Göttingen"(1837), „Iets over de goedkeuring van verbonden en verdragen door de Staten-Generaal met een terugblik op het vroegere staatsrecht dezer landen"(1843), „Aanteekeningen naar aanleiding van onuitgegeven stukken op liet werk van mr. C. W. van der Kemp: Maurits van Nassau enz."(1844), „Nederland en Zweden in staatkundige betrekking"(2 stukken, 1845), „De regeering en de natie sedert 1672—1796"(1845), „Bijdragen tot de geschiedenis der omwenteling 1795— 1796"(2 stukken, 1847—1851), „De noodzakelijkheid der indirecte verkiezingen tot de Nationale Vertegenwoordiging nader betoogd"(1848), „De Provinciale Staten als kiezers voor de Nationale Vertegenwoordiging beschouwd" (1848), „De rechtstreeksche verkiezingen tot de Nationale Vertegenwoordiging bestreden"(1848), „De Tweede Kamer. Het ministerie"(1849), „Nog een woord over de

Sluiten