Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handelingen, inzonderheid in het „Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis en physiologie", grooten roem. Bij voorkeur bepaalde hij zich bij den plantengroei van onze overzeesche gewesten en bevorderde de bewerking der bouwstoffen, door Junghuhn, Reinwardi en anderen in die streken bijeengebracht. Met den hoogleeraar Hartiru; leverde hij belangrijke monografieën'over de soorten van het geslacht Rafflesia en over die van het geslacht der Marattiaceeën.Vooralook was zijn aandacht gevestigd op gewassen, die nuttige voortbrengselen opleveren voor de geneeskunde, den handel en de nijverheid, bijv. op de vanille-, kina- en karafercultuur. Dientengevolge werd hij belast met een onderzoek naar de cultures in onze Oost-Indische bezittingen. Hij bezocht in 1856 Ceylon en in 1858 Java, waarna hij zijn reis uitstrekte naar de Molukken, Timor, Banda, Amboina enz. Na zijnterugkeerop Javabezochthij aldaar de Vorstenlanden, begaf zich naarBorneoenSumatra en kwam den 2den Maartl861 wederin Nederland aan. Hij overleed den 238ten Januari 1862. Van de lange reeks van zijn wetenschappelijke geschriften vermelden wij slechts: „Handboek voor de kennis der geneesmiddelen ten behoeve van de beoefenaars der genees-, heel- en artsenijkunde enz."(4dln.), „Plantkunde voor apothekers en artsen of beschrijving der geneeskrachtige planten enz." (2 dln., 1835—1838), „Novae species Cycadearum Africae Australis, figuris et descriptionibus illustratae" (1837), „Plantarum Javanicaram minus cognitarum sylloge" (1844) „Plantae novae et minus cognitae Indiae Batavae Orientalis etc." (1845) en een groot aantal bijdragen in het door hem geredigeerd „Kruidkundig Archief" in de „Annales d'horticulture et de botanique", in het „Album der Natuur" en andere tijdschriften.

Vries, Jerz., Jeronimo de, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Amsterdam den 18den Februari 1808, promoveerde in 1831 in de rechten op een dissertatie: „De delictis omissionis" en vestigde zich in zijn geboortestad, waar hij in 1848 tot kantonrechter werd benoemd, welk ambt hij tot 1877 bleef bekleeden. Hij leverde een groot aantal bijdragen in verschillende tijdschriften, zooals de „Nederlandsche jaarboeken voor Rechtsgeleerdheid en Wetgeving", het„RechtsgeleerdBijblad",„Themis", het „Tijdschrift voor het Nederlandsch Recht", de „Konst- en Letterbode", de „De Recensent", de „Vaderlandsche Letteroefeningen", alsmede in de „Amsterdamsche Courant", in den „Almanak voor het Schoone en Goede", den „Nederlandschen Spectator", den „Navorscher", enz. Hij overleed den 25iten October 1880 te Amsterdam.

Vries, Johannes de, een Nederlandsch romanschrijver, geboren te Amsterdam den 209ten October 1819, studeerde in de theologie, legde zich tevens toe op de studie der letteren, maar verwoestte door een loszinnig leven een goede toekomst. Hij werd redacteur van de „Hydra", later van „Asmodee", vertaalde stukken voor Duport, den eigenaar van het Salon des Variétés, en werd meermalen vervolgd wegens laster en majesteitsschennis. Naar Antwerpen gevlucht, werd hij er wegens schulden, in een logement gemaakt, gegijzeld, en overleed den 13dcn October 1855 in het gasthuis, nadat hij pas drie dagen te voren uit de gevangenis ontslagen was. Hij schreef: „Eduard Westburg of de aanslag der zonen van Oldenbarneveld" (1838), „De atheïst" (1840), „De bloem van Antwerpen of de Nederlanden on¬

der den hertog van Alva" (2 dln., 1840), „Achttien eeuwen. Schetsen en verhalen, der geschiedenis ontleend"^ dln., 1841—1842), „Edmond" (1843), „Het testament" (1843), „De vinger Gods" (1843), „De eed of misdaad en wroeging" (1844), „Gustaaf of het brandmerk" (1844), „Physiologie van Amsterdam door een Amsterdammer" (1844), „Bijvoegsel tot de waarachtige physiologie van Amsterdam" (1844), „De verborgenheden van Amsterdam" (4 dln., 1844), „Een man en een vrouw of de vruchten van de wraak" (1845), „De Noormannen op het eiland Walcheren in de jaren 874" (1845), „Het halssieraad van den Prins. Geschiedkundige roman uit de jaren 1573—1598" (2 dln., 1846), „Na het studentenleven. Typen" (1846), „De barbier van Piershill" (1846), „Verhalen"(2 stukken, 1846), „De XIIde en XIJIde eeuw. Tafereelen uit de tijden onzer voorouders" (1846), „Helena of de gedenkschriften eener diep gevallen vrouw" (2 dln., 1847), „Jonge heeren. Typen uit het jonge heerenleven" (2 dln., 1847—1849), „Samuël de Booze. Een verhaal uit den tijd van Zwammerdams en Bodegravens verwoesting in 1672" (2 dln., 1847), „Verhalen" (1847), „Het geweten en het menschelijk hart" (1848), „Julie, of nacht en morgen uit het leven eener vrouw in de groote wereld" (1849, 2de druk onder gewijzigden titel, 1854), „Rosa's reisverhaal" (1849), „De bruidsschat of een dochter des hemels en een dochter der hel" (1850 ; 2dc druk, 1861), „Alva in Antwerpen, of de wraak eens vaders" (1851 , „Een roos onder de doornen" (1851), „De dag der vergelding" (3 dln., 1852 ; 2de druk, 1861), „Het kasteel Erikdala of de koopvrouw van Nieuwpoort" (1852), „Johanne van den dorpssmid" (2 dln., 1853) en „De martelaar. Een romau voor den Koning" (1856), na zijn dood in het licht verschenen. Verder schreef hij onderscheiden satirieke brochures, die hem vele onaangenaamheden op den hals haalden, o. a.: „Een standbeeld in een zak", waarvoor hij wegens majesteitsschennis vervolgd en tot uitzetting veroordeeld werd.

Vries, Jeronimo de, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Amsterdam den 17den Juni 1838, studeerde aldaar aan het athenaeum en aan het seminarium der Doopsgezinden en was achtereenvolgens predikant te Noordeind van Graft, te Krommenië, te Wormerveer en van 1872—1908 te Haarlem. Hij is lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap. Hij leverde bijdragen in den „Almanak" der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, in „Los en Vast", waarvan hij van 1875—1880 redacteur was, alsmede in andere tijdschriften van letterkundigen of populairtheologischen aard. Sedert 1875 was hij medewerker aau het tijdschrift „Eigen Haard" en hij behoort sedert 1886 tot de redactie van dit geülusstreerd weekblad. Verder verscheen van hem: „Zonnebloemen" (1887) „Een bundel preeken" (lste druk 1890, 3de druk 1898), „Tweede bundel preeken" (1897), „Zedekundige schetsen en omtrekken voor de jeugd" (1898), „Moet een rechtvaardige zaak 't winnen? Leerrede over psalm XXXVII : 9—15" (1900), „Pelgrimages naar oude plekjes en oude tijden" (1901), „Gods hulp en haar doel. Feestrede" (1902), „Twaalf preeken" (1908—1909), „Twaalf preeken. Nieuwe bundel" (1910).

Vries ^Hugo^de, een Nederlandsch plantkun-

Sluiten