Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dige, geboren te Haarlem den 18aen Februari 1848, studeerde van 1866—1870 aan de hoogeschool te Leiden, waar hij promoveerde tot doctor in de wisen natuurkunde op een dissertatie: „Over den invloed der temperatuur op de levensverschijnselen der planten". Hij studeerde daarna te Heidelberg en teWürzburg en werd in 1871 benoemd tot leeraar in de plant- en dierkunde aan de hoogere burgerschool en de openbare handelsschool te Amsterdam. In 1875 begaf hij zich naar Wurzburg om er zich, in opdracht van de Pruisische Regeering, bezig te houden met de studie der planten, welke voor den landbouw van belang zijn. Nadat hij zich in 1877 gevestigd had als privaat-docent in de plantkunde te Halle, werd hij in hetzelfde jaar benoemd tot lector in de proefondervindelijke plantenphysiologie, in 1878 tot buitengewoon hoogleeraar en in 1881 tot gewoon hoogleeraar aan de universiteit te Amsterdam. Hij verrichte fundamenteele onderzoekingen op het gebied van den groei der planten, gaf een methode aan ter analyse van de turgorkracht, verrichtte plasmolytische onderzoekingen nopens den wand der Vacoulen en is de grondlegger van de mutatietheorie (zie aldaar). In 1896 werd hij benoemd tot directeur van de Hortus Botanicus te Amsterdam. Herhaalde malen werd hij uitgenoodigd in het buitenland lezingen te houden over zijn mutatie-theorie, door welke leer, evenals door die over de variabiliteit der planten, hij zich een wereldvermaardheid verwierf. Zoo hield hij in 1904 en 1907 lezingen aan de hoogeschool van Californië te Berkeley en werd hem in 1910 het eervolle

aanood gedaan hoogleeraar aan een Amerikaansche universiteit te worden onder de meest gunstige voorwaarden, ook ten opzichte zijner wetenschappelijke onderzoekingen. Hij sloeg deze aanbieding, evenals vroegere, echter af. Verschillende universiteiten benoemden hem tot doctor'honoris causa, zoo o. a. de Berlijnsche hoogeschool in 1910. In ditzelfde jaar schonk het Genootschap tot bevordering der natuur-.genees- en heelkunde hem de Swammerdam-medaille. Van zijn talrijke geschriften noemen wij: „Het leven der bloem" (1876), „De voeding der planten" (2<"> druk (1886), „Handleiding bij het vervaardigen van mikroskopische preparaten uit het plantenrijk"(Deel III van Oudemans en De Vries, Leerboek der plantkunde, 2de dr. 1896), „Leerboek der plantenphysiologie" (Deel I van hetzelfde werk, 3de dr. 1895), „Het leven der bloem" (2*° druk 1900), „Hoe soorten ontstaan" (1900), „Zaaien en planten" (1899), „Eenheid in veranderlijkheid" (1899), „Die Mutationstheorie. Versuche und Beobachtungen über die Entstehung von Arten im Pflanzenreich" (2 dln., 1901—1903), „Oorsprong en bevruchting der bloemen" (1904), „Het Yellowston e-park-Experimenteele evolutie" (1905), „Naar Californië". (1905, 2ae dr. 1906), „Land en volk van Californië. Reisindrukken" (1906), „Soorten en variëteiten. Hoe zij ontstaan door mutatie. Voordrachten. (Naar de Engelsche uitgaaf bewerkt door P. G. Buekers, (1906), „Afstammings- en mutatiel«er" (1907), „Het veredelen van kultuurplanten (Naar de Amerikaansche uitgaaf, bewerkt door P. G. Buekers, (1908). Verder nog talrijke bijdragen in het „Album der Natuur", de „Archives néerlandaises", „Revue générale de botanique", „Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van wetenschappen", „De Gids" enz.

Vries, Scaio Gocko de, een Nederlandsch palaeograaf en klassiek philoloog, werd den 16de" Juni 1861 te Leiden geboren, studeerde eerst in zijn geboortestad en vervolgens te Frankfort a. M., Bonn en Berlijn, en promoveerde den 10den October 1885 tot doctor in de klassieke letteren op een proefschrift getiteld: „Epistnla Sapphns ad Phaonem... .Oridio vindicata." Sedert 1898 is hij bibliothecaris van deRijksuniversiteitsbibliotheek te Leiden, terwijl hij in 1909 tevens benoemd werd tot buitengewoon hoogleeraar in de Middeleeuwsche handschriftenkunde. Hij is ook directeur van het Rijksprentenkabinet te Leiden, secretaris van de Maatschappij van Nederlandsche letterkunde en Directeur van het Nederlandsch wetenschappelijk Centraalbureau. Onder zijn leiding verschijnen de door Sijthoff uitgegeven reproductie-uitgaven van handschriften: „Codices graeci et latini photoerafice depicti".

Vries, Louis de, een Nederlandsch tooneelspeler, geboren in 1871 uit doofstomme ouders, kwam op 11-jarigen leeftijd bij het diamantvak, en zou vermoedelijk diamantbewerker gebleven zijn, zoo niet de omstreeks 1895 opgetreden crisis in deze industrie hem genoodzaakt had, ter wille van zijn ouders en zijn gezin, hij was op 18-jarigen leeftijd gehuwd, een ander bestaansmiddel te zoeken. Candidaat gesteld voor het dagelijksch bestuur van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond, meende hij geen kans te hebben gekozen te worden, omdat hij geen sociaaldemocraat was. Hij vond het verkieslijker te luisteren naar den raad zijner vrienden, die hem een groote toekomst als tooneelspeler voorspelden. De Vries was n.1. herhaaldelijk als dilettant opgetreden(voor het eerst inl891), was zelfs voorzitter der reciteer- en tooneelvereeni-

ging „Adeundo", en had het geluk ter gelegenheid van een voordrachtenwedstrijd, waarbij hij met Coppée's „De Schipbreukeling" een gouden medaille verwierf, opgemerkt te worden door Louis Bouwmeester en den tooneelschrijver Reyding. Toen Louis Bouwmeester verklaarde, dat z. i. Louis de Vries alles in zich had om een tooneelspeler van beteekenis te worden, werd een commissie bereid gevonden — gememoreerd dienen hier de namen van S. J. Bouberg Wilson, Dirk Beerends. Mr. J. H. van Sehenidüumnn

— de zorg voor het gezin van De Vries op zich te nemen, tijdens zijn verblijf op de tooneelschool. Op 26-jarigen leeftijd op de tooneelschool gekomen, bleef De Vries hier een jaar, en werd toen geëngageerd door Joh. Mulder, die met een eigen gezelschap den Tivoli-schouwburg te Rotterdam bespeelde. Hier debuteerde hij als de hertog van Alva in Sardou's Patrie, speelde datzelfde jaar o. a. ook den rabbiuit \riend Fritz. Het volgend jaar had hij een engagement bij Gebr. Van Lier te Amsterdam, speelde daar hoofdrollen in de werken der verouderende romantische school en bleef ook hier een seizoen. Na vervolgens 9 maanden als sociétaire aan een reizend gezelschap verbonden te zijn geweest, kwam hij bij het Haarlemsch Tooneel onder directie van Louis Bouwmeester.Twee jaar later verbond hijzichaanhet Gezelschap dir. Frits Bouwmeester en Frank, dat den schouwburg der Gebr. Van Lier bespeelde. Na een seizoen ging dit gezelschap te gronde en werd De Vries geëngageerd door de Gebr. Van Lier. Tijdens een tweejarig verblijf alhier speelde hij o. a. Pancras Duif uit Schakels, den overste Schwartze

Sluiten