Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baarheid grooter bij uitwendige dan bij inwendige bevruchting. En eindelijk is zij bij kleinere dieren met korten draagtijd belangrijk grooter dan bij groote. Zoo brengt een paar olifanten één jong in een tijdvak van 3—4 jaren voort, terwijl een paar konijntjes in dien tijd 1 274 000 jongen kan hebben.

De vruchtbaarheid der planten hangt, evenals die der dieren, in de eerste plaats af van het aantal eicellen, dat voor bevruchting vatbaar is. Slechts zelden brengt één zaadknop twee embryo's voort. Een van de belangrijkste factoren bij de bevruchting der planten is de bestuiving (zie aldaar). Bij insekten"bloeiers hangt de mate van vruchtbaarheid samen met de veelvuldigheid van het insektenbezoek; bij windbloeiers van metereologische omstandigheden. Ook de herkomst van het stuifmeel is van belang. Zelfbestuiving geeft in vele gevallen een minder gunstig resultaat dan kruisbestuiving. De vruchtbaarheid van verschillende planten is buitengewoon groot. Zoo brengt volgens Kerner Sisymbrium Sophia 730 000 en Nicotiana Tabacum 360 000 zaden voort.

Vruchtbeginsel. Zie Stamper.

Vruchtbladeren. Zie Stamper.

Vruchtboomen. Zie Ooftbouw.

Vruchtensap wordt bereid door gereinigde vruchten fijn te stampen, den brij op te koken, dezen uit te persen en het sap, nadat het gefiltreerd is, op flesschen te doen. Duurzamer is het vruchtensap, wanneer het een weinig alkohol bevat. Daartoe laat men de fijngestampte vruchten gedurende eenige dagen gisten, waarna men het verder op de aangegeven wijze behandelt. Men gebruikt dit sap vooral voor de bereiding van vruchtenijs, gelei, conserven enz. Voor de bereiding van likeuren voegt men aan den vruchtenbrij 25 % alkohol van 80 % toe. De meest gebruikelijke vruchtensappen zijn citroen-, frambozen-, bessen- en kersensap. De aldus bereide vruchtensappen zijn in het algemeen slechts gedurende een jaar houdbaar. In verband met het toenemend verbruik van vruchtensappen als alkoholvrijen volksdrank, heeft men gezocht naar procedé's, om hen te conserveeren. Daartoe worden zij in gesloten flesschen op 60—65° C. verwarmd. Nadat zij zijn afgekoeld en bezonken filtreert men, vult met het heldere sap opnieuw flesschen, verwarmt tot 60° C. en dompelt den nek van de flesch, na afsluiting door een kurk, in gesmolten paraffine. In het grootbedrijf maakt men gebruik van toestellen, waarin het sap, zonder met de lucht in aanraking te komen, stroomt door tinnen buizen, die in water worden verwarmd. Het verwarmde sap wordt gefiltreerd en in flesschen gedaan, die daarna worden verwarmd en met paraffine gesloten. Dikwijls wordt in zulke vruchtensappen koolzuur geperst.

Vruchtenstroop is met suiker tot een stroop ingekookt vruchtensap. Men bereidt haar uit vruchtensap door opkoken onder toevoeging van 275—300 % geraffineerde suiker, waarna zij op flesschen gedaan wordt. Vruchtenstroopen, uit gegiste vruchtensappen bereid, zijn duurzamer dan die, bereid uit ongegiste.

Vruchtensuiker. Zie Levulose.

Vruchtenwijn of Vruchtencider. Zie Cider.

Vruchten zonder pit noemt men zulke vruchten, welke zich zonder bevruchting, d. L dus zonder zaadvorming, hebben ontwikkeld. Men kent bijv. verschillende soorten van sinaasappelen, welke

geen pitten bevatten. En ook van de andere bevatten slechts weinige in ieder vruchtvakje pitten. Evenzoo hebben verschillende soorten van rozijnen geen pitten en in bananen worden slechts hoogst zelden zaden aangetroffen. Deze vorming van vruchten zonder bevruchting (parthenocarpie) komt ook bij onze ooftboomen voor. Intusschen behoort daartoe niet de door Burbank in N.-Amerika geteelde pruim zonder pit; zij bezit goed ontwikkelde zaden, die echter de harde schaal missen,en is door kunstmatige teeltkeus ontstaan. Onze appel- en perebloesems zijn protogynisch; het vrouwelijk geslachtsdeel is eerder rijp dan het mannelijke. Tegelijkertijd zijn bij verschillende soorten de stampers belangrijk langer dan de meeldraden. Zelfbestuiving is daardoor zeer moeilijk, maar kruisbestuiving kan daarentegen gemakkelijk plaats vinden. Bij andere soorten zijn zij echter even lang, ja bij vele soorten zijn de stampers korter dan de meeldraden. Hier is dus de kans voor uitsluitende kruisbestuiving gering; zij komt gelijktijdig met zelfbestuiving voor. Er zijn dus soorten, waarvan de bloesems steeds aan de inwerking van het stuifmeel zijn blootgesteld en andere, waar bij deze, als de kruisbestuiving uitblijft, twijfelachtig is. Deze laatste zijn wellicht het meest geschikt om vruchten zonder pit te vormen. Ewert verhinderde nu de bestuiving door de stempels tijdig met een bepaalde vloeistof te bestrijken. Daarbij moet bedacht worden, dat de vruchten zonder of met weinig pitten aan den geheelen boom de zwakste zijn. Bij proeven over parthenocarpie moeten dus alle bloesems tegen bestuiving beschermd worden, anders vallen de vruchten zonder pit af. Ewert kon nu vaststellen, dat alleen sommige soorten voor de parthenocarpie geschikt zijn. Deze teelt wijst intusschen den weg, waarlangs verschillende soorten zonder pit zullen kunnen worden geteeld. Door kruising n.L van soorten, waarbij de parthenocarpie bijzonder sterk optreedt, kan men waarschijnlijk de eigenschap om zulke vruchten voort te brengen duurzaam vastleggen, waarbij het eveneens mogelijk is, dat de doelloos geworden klokhuizen samenschrompelen en eindelijk verdwijnen.

Vruchtgebruik wordt door art. 803 van ons Burgerlijk Wetboek omschreven als een zakelijk recht om van eens anders goed de vruchten te trekken alsof men zelf eigenaar daarvan was, mits zorgende dat de zaak zelf in stand büjve. De wetgever laathierdennadruk vallen op het genot der vruchten, maar de vruchtgebruiker heeft tevens de bevoegdheid om de zaak zelf te gebruiken overeenkomstig haar bestemming. Vruchtgebruik is een zeer omvangrijk recht; de beperking ligt in den duur; het eindigt bij den dood van den vruchtgebruiker en gaat niet op diens erfgenamen over. In verband hiermee staat de wetsbepaling, dat aan een vereeniging of zedelijk lichaam geen vruchtgebruik kan worden toegekend voor langer dan 30 jaren. Het vruchtgebruik kan zoowel op roerende als op onroerende goederen worden gevestigd en rust dikwijls ook op een geheel vermogen. De vruchtgebruiker kan zelf het genot uitoefenen of het goed verhuren of verpachten; hij kan zelfs ook zijn genot verkoopen, bezwaren of om niet afstaan, maar in de laatstbedoelde gevallen blijft hijzelf toch in zoover vruchtgebruiker, dat het vruchtgebruik bij zijn dood eindigt. De vruchtgebruiker heeft, behalve recht op alle vruchten, het genot van de vermeerdering, welke aan het

Sluiten