Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed door aanspoeling is aangekomen; van de erfdienstbaarheden en andere rechten,die ten voordeele van het goed gevestigd zijn; van de jacht en visscherij; van de mijnen, steen- of kolengroeven of veenderijen, die bij den aanvang van zijn recht reeds ontgonnen zijn, doch niet van die welke onontgonnen zijn. Hij kan zijn recht zelfstandig door rechtsvorderingen handhaven. Bij den aanvang van zijn recht is de vruchtgebruiker verplicht een boedelbeschrijving op te maken van de roerende en een staat van de onroerende zaken; verder is hij verplicht zekerheid te stellen, dat hij van de zaak als een goed huisvader zal gebruik maken zonder haar te verslimmeren of te verwaarloozen en dat de goederen bij het einde van het vruchtgebruik zullen worden teruggegeven in den staat, waarin zij zich op dat tijdstip bevinden. Van de verplichting tot zekerheidstelling kan de vruchtgebruiker bij de vestiging van het recht worden vrijgesteld, maar niet van het opmaken van de beschrijving en den staat. Tot de verplichtingen van den vruchtgebruiker behoort voorts het zorgen voor de reparatiën tot onderhoud en het dragen van alle jaarlijksche en gewone lasten van het erf, gelijk grondrenten, belastingen en andere die gewoonlijk als lasten der vruchten worden beschouwd. Grove reparatiën blijven ten laste van den eigenaar, gelijk ook buitengewone belastingen, maar van de laatste draagt de vruchtgebruiker, zoolang zijn recht duurt, de renten. Het vruchtgebruik kan behalve door den dood en door gewone oorzaken als tijdsverloop, vermenging, afstand, verjaring, te niet gaan der zaak, ook eindigen door vervallenverklaring, tengevolge van het misbruik, dat de vruchtgebruiker van zijn genot maakt door het goed te beschadigen of bij bebreke van genoegzame herstelling en onderhoud te laten vervallen. In deze gevallen kan de rechter, in plaats van de vernietiging uit te spreken, ook de goederen onder beheer van een derde stellen of aan den eigenaar doen overgeven met last om jaarlijks aan den vruchtgebruiker een bepaalde som te betalen. Bieden de vruchtgebruiker of zijn scbuldeischers aan, het gepleegde dadelijk te herstellen en voor het vervolg voldoende zekerheid te geven, dan kan de rechter den vruchtgebruiker in het genot van zijn rechten handhaven.

Vrachthoopjes noemt men de verschillend gevormde hoopjes van kleine, bruinachtige sporevruchten aan de onderzijde van bladeren van varens (zie aldaar).

Vrachtschubben (Squamae) noemt men de vruchtbladeren van de coniferen, die aan de vorming van de vrouwelijke bloemen deelnemen en waarop zich de zaadknoppen ontwikkelen.

Vruchtwater. Zie Embryo.

Vrlichtwisseling- wordt genoemd die wijze van cultuur, waarbij voor een min of meer regelmatige afwisseling in de gedurende een reeks van achtereenvolgende jaren te verbouwen gewassen zorg wordt gedragen. Daarbij worden in twee opeenvolgende jaren geen vruchten van dezelfde soort, streng genomen bij voorkeur geen vruchten van dezelfde plantenfamilie, na elkaar verbouwd. Daaraan zijn de volgende voordeelen verbonden. De bodem wordt minder éénzijdig aan bepaalde plantenvoedende stoffen verarmd, doordat de eene familie van gewassen andere eischen aan het plantenvoedsel stelt dan de andere. Door afwisseling van diep- en ondiepwortelende gewassen

worden de diepere en ondiepere lagen van den grond minder uitgeput. Door den verbouw van diepwortelende gewassen lijden de daarop volgende minder aan droogte. Door cultuur van vlinderbloemigen wordt de bodem verrijkt aan gebonden stikstof. Door den verbouw van bladvruchten, die den bodem meer beschutten dan andere, blijft de goede structuur, waarin de grond is gebracht, beter behouden en worden onkruiden in hun ontwikkeling onderdrukt. Hakvruchten bieden gelegenheid om den grond gedurende den groei der gewassen te hakken; daarbij kan de goede structuur van den bodem bij herhaling worden hersteld en kunnen onkruiden worden verdelgd. Door afwisseling van vruchten wordt het gevaar voor plantenziekten verminderd, daar door herhaalden verbouw van gewassen van dezelfde soort of van dezelfde familie de parasieten dezer gewassen in hun ontwikkeling worden bevorderd. (Zie ook Landbouwstelsels).

Vrij, Johan Eliza de, een Nederlandsch scheikundige en kinoloog, geboren den 31sten Januari 1813 te Rotterdam, kwam bij zijn vader in de apotheek, werd leerling bij Dr. O. J. Mulder aan de Klinische school te Rotterdam en deed in 1832 het apothekersexamen. In 1837 promoveerde hij op stellingen tot doctor in de natuurkunde aan de universiteit te Leiden. In 1841 werd hij tot docent benoemd aan de Klinische School te Rotterdam. Door zijn pharmaceutische studiën in verschillende tijdschriften trok hij de aandacht der Regeering, zoodat deze hem in 1855 tot lid der jury in de medische afdeeling benoemde van de eerste Parijsche wereldtentoonstellingen. In 1857 vertrok hij op last der Nederlandsche Regeering naarNederlandsch Oost-Indië ter bestudeering der op Java pas ingevoerde kina-cultuur, van welke reis hij eerst in 1863 terugkeerde. In 1897 vereerde hem de Pharmaceutical Society of Great Britain de Hanburymedaille. Hij was eere-lid der Nederlandsche Maatschappij van Pharmacie en van de Deutsche Pharmaceutische Gesellschaft en lid der Kaiserlichen Leopoldinischen Akademie te Bonn. De Nederlandsche Regeering schonk hem de ridderorde van den Nederlandschen Leeuw en de Engelsche benoemde hem tot Companion of the Order of the Indian Empire. Hij overleed den 31sten Juli 1898 te 's Gravenhage. Behalve een vertaling van H. Rose's „Handbuch der analytischen Chemie" (1831), verschenen van hem „Kinologische studiën," eerst in „Haaxman's Tijdschrift voor Pharmacie," later in het „Nederlandsch Tijdschrift voor Pharmacie, Chemie en Toxikologie".

Vrijbuiters. Zie Flïbustiers.

Vrijdenkers noemt men menschen, die zich in de beoordeeling van de hoogste levensvragen, inzonderheid op godsdienstig gebied, niet aan gezag of overlevering binden. In Engeland ontstond met Anthony Collins, aan wiens „Discourse of freethinking" (1713) deze richting haar naam ontleende, Hume, Blunt, Toland en anderen een partij, die de kerk scherp, dikwijls spottend aanviel, doch aan het geloof aan een god vasthield (zie Deïsme). In Frankrijk daarentegen vervielen de vrijdenkers, zooalsVoltaire, Rousseau en de encyclopaedisten, tot een volledig atheïsme. Li Nederland wordt voor de vrije gedachte inzonderheid propaganda gemaakt door de vereeniging „De Dageraad", die daardoor de zede-

Sluiten