Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tieloges, bepaaldelijk in Frankrijk voorkomende, waarin vrouwen als leden der vereeniging worden opgenomen.

Geschiedenis. Men heeft den oorsprong van de vereeniging der vrijmetselaars vroeger ten onrechte in verband gebracht met den tempelbouw van Salomo, de Egyptische en Grieksche mysteriën, het verbond der volgelingen van Pythagoras, het genootschap der Therapeuten en dat der Esseërs, de Romeinsche collegia of sodalitia van bouwlieden, de Druïden, de ridderorden der Middeleeuwen .inzonderheid met die der Tempelheeren, maar dit alles zonder voldoenden grond. Het geschiedkundig verband tusschen deze vereenigingen en die der vrijmetselaars kan niet worden aangewezen. Door de historische kritiek van Klosz, FaUou, Lachmann, Findel enz. is overtuigend aangetoond, dat de beginselen der vrij metselaars vereen igin g niet verder teruggaan dan tot in de 13de eeuw. Zij is ontstaan uit de broederschap der metselaars en hun bouwhutten, die aanvankelijk met de kloosters, vooral met die van de Benedictijnen, nauw samenhingen (zie Bouwcorporatie en Bouwhui). Later maakten zij zicli los van deze en sloten het verbond der Duitsche vrije metselaars; zij vormden vier hoofdafdeelingen, van welke di ' te Straatsburg den hoogsten rang bekleedde, noemden elkander broeders, volgden bij de opneming een eenvoudigen ritus en verbonden zich tot een deugdzamen levenswandel. Om op hun beroepsreizen elkander te herkennen, hadden zij geheime teekens, handgrepen en woorden, alsmede eenige vragen en antwoorden. Het oudste der voorhanden reglementen, dat van Straatsburg, is van het jaar 1459, en zoowel dit als andere leveren het bewijs, dat de broederschap zich reeds over geheel Duitschland en Zwitserland uitstrekte, terwijl in 1498 de leden door een gemeenschappelijke verordening, door keizer Maximiliaan bekrachtigd, tot één geheel werden vereenigd. Aan het hoofd der broederschap stond volgens oude zede een vrij en verdienstelijk, door de leden gekozen voorzitter of achtbare meester, die „naar het gebruik der werklieden en naar gewoonte" uitspraak deed over alle verdeeldheden. De gezellen waren verplicht, de leerlingen in hun kunst te onderwijzen. Tegen het einde der 13de en het begin der 14de eeuw trokken vele Duitsche metselaars naax Engeland, zoodat ook daar weldra dergelijke vereenigingen ontstonden. De oudste oorkonde der Engelsche vrijmetselaars is die, welke door Halliwel in het Britsch Museum werd ontdekt en afkomstig uit de 15'Je eeuw. Tegen het einde der l6de en het begin der 17de eeuw voegden zich ook anderen dan metselaars bij de vereeniging der „freemasons", die ook „accepted masons" (aangenomen metselaars) werden genoemd. Hierdoor kreeg de broederschap een geheel andere richting. Toen verder in den aanvang der 17de eeuw door Inigo Jones de Italiaansche bouwstijl werd ingevoerd, deden aanzienlijke mannen, ter bevordering der bouwkunst, zich in de vereeniging opnemen, inzonderheid toen de Paulskerk te Londen werd gesticht. Later kwamen de loges weder in verval en in het zuiden van Engeland bleven slechts weinige over. De leden daarvan, meestal accepted masons, zagen in, dat de geest van den bond iets goeds was, dat bewaard moest blijven. Daarenboven hadden de stormen op staatkundig en kerkelijk gebied velen tot verdraagzaamheid, toegeeflijkheid, verzoe¬

ning en rechtvaardigheid gestemd, en het nieuwe tijdperk der verlichting had denkbeelden doen ontstaan, die slechts verkondigers noodig hadden, om vruchten te dragen voor de menschheid. De tijdsomstandigheden leidden al zoo tot een nieuwe organisatie der oude vereeniging. Men besloot de beroepsvereeniging tot symbool van een nieuwe geestelijke vereeniging te nemen. Vier oude loges te Londen en West-minster vereenigden zich in 1716 en 1717 tot een Groot-Oosten, kozen een Grootmeester (saver) en gingen over tot de herziening der plechtigheden en wetten onder leiding van den godsdientleeraar J. Anderson, den natuurkundige Théo■phile Desaguliers en den oudheidkundige G. Payne. Men behield de oude symbolen en teekens, en de nieuwe wetten werden in 1723 gedrukt (nieuwe druk 1901). Daarin vindt men, dat de leden gehouden zijn, dien godsdienst te belijden, waarin alle menschen overeenstemmen, namelijk goede, getrouwe mannen te wezen, mannen van eer, die liet recht liefhebben. Op die wijze, zoo luidt het, wordt de vrijmetselarij het middel, om trouwe vriendschap aan te knoopen tusschen personen, die anders elkander vreemd blijven. Tevens werd het ceremonieel gewijzigd, en omstreeks 1720 stelde men de tegenwoordige drie graden vast.

In dezen nieuwen vorm vond de vrijmetselarij weldra een algemeene verbreiding. In 1730 richtte Ierland een Groot-Oosten op te Dublin.Ook in Schotland werden in 1736 de oude loges, die in de 15de eeuw reeds bestonden, door een Groot-Oosten te Edinburgh vervangen.De hooge ouderdom derSchotsche loges, de overleveringen, die met de oude loges Kilwinning, Aberdeen enz. verbonden waren, waren in verband met andere omstandigheden aanleiding, dat door avonturiers en dweepzieke vrijmetselaars nieuwe graden, legenden en stelsels ingevoerd werden, die men de Schotsche noemde. Men beweerde, dat deze Schotsche vrijmetselarij ouder was dan de Engelsche en koos tot haar schutspatroon St. Andreas, naar wien de loges Andreasloges werden genoemd. In Engeland ontstond omstreeks 1752 onder Dermott uit onregelmatig aangenomen vrijmetselaars en afvallige of vernietigde loges een sekte van vrijmetselaars, welke verklaarde, dat zij de oude vrijmetselarij vertegenwoordigde en den naam van „Oude" of „Yorksche" vrijmetselarij aanvaardde. Zij stelde een hoogeren graad in, dien van den Royal arch (Koninklijk gewelf). Zij vereenigde zich echter in 1813, toen de hertog van Sussex als grootmeester der wettige Engelsche loges optrad, met deze en het algemeene constitutieboek verscheen in 1815 (3de druk, 1841). De snelle uitbreiding der vrijmetselarij wekte reeds vroeg bezorgdheid bij Kerk en Staat, zoodat zij te Napels in 1731, in Polen in 1734, in Holland in 1735, in Frankrijk in 1737, te Genève en Hamburg, in Zweden en in de Oostenrijksche Nederlanden in 1738 en te Florence in 1739 verboden werd. Vooral in Spanje en Portugal woedde de Inquisitie hevig tegen de vrijmetselarij. De banvloek, reeds in 1738 door paus Clemens XII over haar uitgesproken, werd door Benedictus XIV, Piics IX en Leo XIII vernieuwd. In vele landen, zooals in Zweden, Nederland en Toscane, werd echter dat verbod weldra opgeheven, in Duitschland werd de veiligheid der vrijmetselarij gewaarborgd door de opneming van Frederik den Groote.

De vrijmetselarij werd in Frankrijk uit Enge-

Sluiten