Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bruikt worden als siersteen in de schoone bouwkunde.

Vulkanische gesteenten is in den engeren zin van het woord gelijkbeteekend met lava's en met de hiertoe behoorende klastische vormingen, die in lossen toestand, als bommen, lapilli, zand en asch en aaneengehecht als tuf voorkomen. In ruimeren zin verstaat men er ook de g' steenten van oudere vormingen onder, welke door hun scheikundige en mineralogische samenstelling of door hun wijze van voorkomen, of ook door beide, overeenkomst met de lava's vertoonen en zich, evenals deze, over andere gesteenten hebben uitgegoten en uitgebreid. Voor veel vulkanische gesteenten is de porfyrische struktuur karakteristiek. Daarbij vertoonen zich in een dichte grondmassa, welke eerst nadat zij uit den krater was gekomen vast werd, grootere kristallen. In de meeste gevallen waren zij echter reeds vooraf in de lavamassa aanwezig.

Valkanisme is het inbegrip van alle vulkanische verschijnselen, omvat dus zoowel de vulkanen, als de geysers, warme bronnen, gasbronnen enz.

Vulkanol, een kunstmatig bouwmateriaal, dat in den vorm van steenen en pannen in den handel komt, wordt door Deidesheimer te Würzburg uit schamotte, zand, basalt, graniet, porfier, magnesiet, veldspaat, lei, slakken enz., onder toevoeging van 1,5—4% klei, bereid. De bestanddeelen worden daartoe vooraf fijn gemalen en in een mengmolen met de klei tot een brij samengemengd. Het mengsel word in vormen geperst en gebrand. De aldus verkregen steenen kunnen gemakkelijk worden gepolijst, waardoor zij fraaie gevelsteenen vormen. Op een onderlaag van beton in cementwortel met voegen van 2—3 mm. gevat, leveren zij verder een voortreffelijk, geruischloos plaveisel.

Vollers, Jolmn August, een Duitsch beoefenaar der Oostersche letteren, geboren den 238,en October 1808 te Bonn, studeerde aldaar in de godgeleerdheid en in de Oostersche talen, legde zich te Parijs toe op het Arabisch, Perzisch, Syrisch, Turksch en Chineesch, te Berlijn en te Bonn op het Sanskriet, vestigde zich in 1831 in laatstgenoemde stad als privaatdocent en werd in 1833 benoemd tot hoogleeraar te Gieszen, waar hij den 21Bten Januari 1880 overleed. Hij leverde: „Harethi Moallaca cum scholiis Zuzenii"(1827), „Torafae Moallaca cum Zuzenii scholiis"(1829), „Fragmente über die Religion des Zoroaster"(1831), „Grammaticae arabica*1 elementa" (1832), „Chrestomathia Shahnamiana" (1833), „Mirchondihistoria Seldschukidarum"(1838) „Vitae poetarum persicorum ex Dauletscliahi historia poetarum excerptae"(2 stukken, 1839—1868), „Institutiones linguae persicae cum sanscrita et zendica lingua comparatae"(1810; 2de druk, 1870), „Syntaxis et ars metrica Persarum"(1850), „Lexicon persico-latinum etymologicum"(1856—1864; supplement, 1868), een voortreffelijk werk door het Institut de France en de Académie des inscriptions bekroond en „Firdusii liber regum Schahname"(Leiden, 1876).

Vulliemin, Louis, een Zwitsersch geschiedschrijver, geboren in 1797 te Yverdun, was predikant te Chexbres en Nvon en werd in 1826 hoogleeraar aan de academie te Lausanne. Met Monnard leverde hij een Fransche vertaling van de: „Geschichte der Eidgenossenschaft" van J. von MüMer, waaraan hij in de dln. X—XIII de geschiedenis der 16de en 17üe eeuw toevoegde. Daarenboven schreef hij: „La reine

Berthe"(1843), „Le canton de Vaud, tableau de ses aspects, de son histoire, de son administration en de ses moeurs"(1862) en „Histoire de la Confédération Suisse"(1876) enz. Hij overleed den 10den Augustus 1879 te Lausanne.

Vulpius, Chhstian August, een Duitsch schrijver, geboren te Weimar den 238ten Januari 1762, studeerde te Jena en te Erlangen, woonde daarna als schrijver op verschillende plaatsen en werd in 1797 secretaris en in 1806 bibliothecaris te Weimar. Hier schreef hij den roo verroman: „Rinaldo Rinaldini"(3 dln., 1798; 8sle druk bewerkt door Doeger en vermeerderd met een 4de dl. „Nikanor, der Alte von Fronteja", 1858), die in de meeste nieuwe talen is vertaald en het voorbeeld voor tallooze rooverromans werd. Verder schreef hij talrijke komische en middeleeuwsche romans benevens een aantal onbeteekenende treurspelen en opera's. Door het huwelijk van zijn zuster Christiane Vulpius werd hij in 1806 een zwager van Goethe. Hij overleed te Weimar den 25s,en Juni 1827.

Vulstof. Zie Papier.

Vurenhout. Zie Hout.

Vuur is een verschijnsel, ontstaan door gelijktijdige ontwikkeling van licht en w armte. Treedt het op bij vaste en vloeibare lichamen, dan geeft men daaraan den naam van gloed, bij gassen van vlam. In de Oudheid hield men het vuur voor iets stoffelijks, en Aristoteks noemt het één der vier elementen.

Vuur is de naam van een gebrek in eikenhout, dat door gisting van niet voldoende uitgedroogde sappen in hethout ontstaat. Door de vervuring krijgt het hout het voorkomen van rood- en geelkleurig verkoold hout. In masthout noemt men dit gebrek broei.

Vuur is in het krijgswezen de naam voor het afschieten van vuurwapenen. Men kent thans bij de infanterie in hoofdzaak het schuttersvuur in gesloten of verspreide orde en het salvo. In beide gevallen wordt meestal geknield of liggend, zelden staande gevuurd. Bij het schuttersvuur onderscheidt men langzaam, levendig en snelvuur en evenzoo bij het artillerievuur langzaam, gewoon en snelvuur. Het vuren geschiedt van uit de vuurlijn, dat is de lijn van vurende schutters of afdeelingen, welke het dichtst bij den vijand is.

Vuuraanbidders noemt men hen, die het vuur op een godsdienstige wijze vereeren, als een geheimzinnige macht of als het zinnebeeld van bovenzinnelijke wezens. Men vindt den vuurdienst (pyrolatrie) bij de meeste natuurvolken, die het vuur door offeranden van vet enz. trachten te verzoenen, opdat het hun woningen zal verschoonen. Bij de oude Ariërs was de vlam de god Agni (hjnis), die, door het wrijven van twee stukken hout op elkander op aarde geroepen, in de hut der herders verscheen. Men ontving hem met eerbied en laafde hem met boter, waarna hij de gebeden der vrouwen afluisterde, om als middelaar ze over te brengen aan de goden. Ook bij de Grieken en Romeinen vereerde men het vuur in de gedaante eener godheid van den huiselijken haard (Hestia of Vesta) en in de huldiging van Prometheus, die ten behoeve der menschen het vuur van den hemel had geroofd. Bij de oude Mexicanen en Perzen vindt men eveneens sporen van vuurdienst, evenals in den Egyptischen god Phtha in den Tyrischen Baal en in den Moloch der Kana&nieten enz. Toen later de volkeren meer tot een zuiver monisme

Sluiten