Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaarder de weg gewezen. In den beginne bezigde men tot verlichting der vuurtorens hout, later steenkolenvuren, vervolgens vet- en waskaarsen, en thans meestal petroleum, gas en electrisch licht. De oudere lampen der vuurtorens zijn voorzien van Argand-branders met 1 tot 6 concentrische pitten. Om het naar alle kanten uitstralend licht te concentreeren bezigt men spiegels (katoptrisch of Engelsch systeem) of lenzen (dioptrisch of Fransch systeem). Bij het spiegelsysteem zijn de spiegels parabolisch hol geslepen. In het brandpunt bevindt zich de vlam, zoodat de stralen evenwijdig aan de as van den spiegel worden teruggekaatst. Men verkrijgt aldus een cylindervormigen stralenbundel, die intusschen geen licht verspreidt langs den geheelen horizon. Bij het lenzensysteem wordt het licht, afkomstig van de lamp, door lenzen gebroken. Fresnel vond de ringvormige lenzen uit, die ook thans nog gebruikt worden. Een kleine lens in het midden is daarbij door een aantal ringen omgeven, zoodat men willekeurig groote lenzen kan vervaardigen zonder versterking in de dikte te moeten zoeken, hetgeen licht verlies tengevolge zou hebben. Volgens het stelsel van Fresnel zijn de beide vuurtorens van Cordouan aan den mond der Gironde (63 m.) en van New Skerrypore op de W.-kust van Schotland gebouwd.

De lichten worden in het algemeen onderscheiden in vaste en draailichten. De laatste kunnen weer onderscheiden worden in gewone draailichten, die geleidelijk in sterkte toenemen (gedurende 1/2—2 minuten) en dan weer afnemen, en schitterlichten, die, op grooten afstand zichtbaar, telkens slechts gedurende een kort oogenblik schitteren. Daardoor wordt verwarring met andere lichten het best voorkomen. Vooral electrisch licht, dat thans meer en meer toepassing vindt, is, door zijn afwisselende lichtsterkte, weinig geschikt voor toepassing als vast licht, daar het op grooten afstand den indruk van een schitterlicht maakt. En juist van de scherpe onderscheiding van het licht hangt de veiligheid van den zeevaarder af.

Om de vuurtorens van een kuststreek kenbaar te maken, geeft men aan hun lichten nog verschillende eigenschappen door verduisteringen, veranderingen in lichtsterkte of afwisselende kleuren. Voor de punten van een kust, die het meest worden aangedaan, maakt men thans bijna uitsluitend gebruik van schitterlichten. Zij kunnen in zekere tijdsintervallen (5^-60 seconden) afzonderlijke of groepen van 2, 3 of 4 lichtschitteringen in snelle opeenvolging geven. Voor loodslichten, die door verschil in kenmerken (loods- en waarschuwingssectoren) een vaarwater tusschen ondiepten of een haventoegang moeten aangeven, maakt men gebruik van witte, vaste lichten voor de loodssectoren; voor de waarschuwingssectoren kiest men groene of roode vasteof schitterlichten, en wel groen of een oneven aantal schitteringen aan stuurboordzijde voor binnenvallende schepen en rood of een even aantal schitteringen aan bakboordzijde. Verder kent men nog richtlichten, om een vaarwater of een haveningang en dwarslichten om in een nauw vaarwater de grenzen van bruikbaarheid van de loods- en richtlichten aan te geven. Bij mist worden van af vuurtorens, lichtschepen enz. verschillende seinen gegeven. Soms dienen torens van dorpen als vuurtoren, zoo de toren van_Goeree, de Brandaris op Terschelling en vroe¬

ger de toren van Den Briel. In plaats van vuurtorens gebruikt men op minder belargrijke of gevaarlijke plaatsen kustlichten of oeverlichten, havenlichten en visscherslichten. Reeds door Homeros worden vuurtorens vermeld. Die, welke op bevel van Ptolemaeos Soter op het eiland Pharos bij Alexandrië verrees, behoorde tot de zeven wonderen der weivld. Hij werd voltooid in het jaar 283 v. Chr., had een hoogte van 70 of 110 m. en bleef bestaan tot ongeveer 1330 n. Chr. Vele medailles en reliëfs uit den Romeinschen keizerstijd vertoonen vuurtorens. Van deze alle is de Herculestoren te Corima bewaard gebleveil en nog in gebruik. De vuurtoren door Caligula te Boulogne gebouwd, stortte in 1640 of 1644 in. Ook te Katwijk werd ten tijde van Germanicus een vuurtoren gebouwd. De vuurtoren van Cordouan werd door den Zwarten Prins omstreeks 365 gebouwd. Het tegenwoordige gebouw verrees tusschen 1584 en 1611. De eerste vuurtorens aan de Oostzee dagteekenen van ongeveer 1200. De toren van Eddystone, in 1696 van hout opgetrokken, bezweek in 1703 in een vreeselijken orkaan; een nieuwe, in 1706—1708 gebouwd, werd in 1755 een prooi der vlammen. De derde vuurtoren verrees naar het plan van John Smeaton en heeft tot voorbeeld voor andere gediend. De tegenwoordige is van 1882.

Vuurvast noemt men de eigenschap van sommige stoffen, dat zij tot zekere hoogte tegen hooge temperaturen bestand zijn, ten minste daardoor voor een bepaald doel niet onbruikbaar worden. Zoo kan vuurvast beteekenen niet vluchtig, niet smeltbaar, niet brandbaar. Voor ovens gebruikt men vuurvaste steenen, van bepaalde kleisoorten vervaardigd, of chamottesteenen, van dezelfde stoffen; verder worden van grafiet, platina, kalk, magnesia enz. vuurvaste kroezen en pannen vervaardigd. Zie ook Aardewerk.

Vuurvaste steeu. Zie Vuurvast.

Vuurvlieg; (Pyrophorus lïl.), een geslacht uit de familie der Elateridae, bestaat uit groote of middelmatig groote, meestal matbruine of grijsgele, viltachtig uitziende kevers, met afgestompt of afgerond voorhoofd, zeer groote oogen en aan beide zijden van den thorax een waschkleurige, blaasvormige verdikking, die, zoolang zij leven, helder, groenachtig geel licht uitstraalt. Zij bewonen de warmere streken van Amerika en vliegen des nachts, lichtgevend, in het rond. Eén exemplaar is voldoende om het aflezen van een horloge mogelijk te maken. De cucujo (Pyrophorus noclilucus £.), een kever van 2,6—3,4 cm. lengte, komt op Cuba zeer veelvuldig voor. Zijn larve leeft oj) de suikerplantages in het merg van het suikerriet. De gevangen kevers vormen aldaar een handelsartikel. De dames dragen ze n.L 's avonds in zakjes van fijne tulle als sieraad.

Vuurwapenen. Zie Handvuurwapenen cn Geschut.

Vuurwerk is de naam van meer of minder heftig brandende stoffen, welke bij feestelijke gelegenheden worden ontstoken. Ook geeft men dien naam aan de feestelijkheid van het ontsteken zelf. Men kent het vuurwerk in twee vormen, als vlamen als vonkenvuurwerk. Het grondmateriaal voor beide wordt gevormd door de verschillende soorten van sas, alle wijzigingen van het buskruit. Men onderscheidt eenvoudig vuurwerk (Bengaalsch vuur, bommen, raketten, voetzoekers, vuurpijlen, zeven-

Sluiten