Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuw kwamen de halve „Berlinen" met twee zitplaatsen, waarvan de kast in C veeren hing, en tegen het einde van de 18de eeuw koetsen met beweegbare kap in zwang. In Engeland en Frankrijk ontstond in dien tijd de tweewielige cabriolet, een navolging van het Romeinsche cisium, terwijl eindelijk omstreeks 1800 in Engeland koetsen zonder lengteboomen gebouwd werden, waarbij de wagenkast op elliptische veeren rustte. Deze constnictie hebben ook thans onze luxe-rijtuigen nog. In de bouwwijze van lastwagens is eerst in den lateren tijd wijziging gekomen. Terwijl het onderstel in hoofdzaak onveranderd blijft, tracht men den vorm van den bak meer aan het doel aan te passen. Men bereikt zulks door het construeeren van bepaalde vormen of ook door de mogelijkheid te scheppen voor verandering van den vorm van den bak, hetzij door verlenging of verkorting, hetzij door het opzetten of afnemen van losse kratten. Bovendien worden ook hier veelvuldig veeren tusschen onder- en bovenstel ingeschakeld en ziet men ook remmen aangebracht.

Wagenaar, Lucas Jansz., een Nederlandsch zeevaartkundige, geboren te Enkhuizen omstreeks het midden der 16ae eeuw, deed talrijke zeereizen en verzamelde veel wetenswaardigs in zijn „Spiegel der zeevaart", bij Plantyn te Leiden in het licht verschenen. Een ander werk van zijn hand, getiteld „Thresoor der zeevaart", heeft dezelfde strekking als het eerste. Den hoofdzakelijken inhoud van beide vatte hij ook nog in één boekdeel samen.

Wagenaar, Jan, een Nederlandsch geschiedschrijver, geboren te Amsterdam den 31"tei> October 1709, was werkzaam in den handel en verkeerde veel in den kring der Collegianten. Als schrijver begon hij met eenige belangrijke vertalingen, o. a. van de leerredenen van Tiüotson (6 dln. 1730), terwijl hij in 1738 een aanvang maakte met het schrijven der eerste deelen van den „Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden". Hierdoor kwam hij in kennis met vele boeken en handschriften, die betrekking hebben op de geschiedenis der Nederlanden en waaruit hij de stof putte voor zijn hoofdwerk „Vajderlandsche Historie, bevattende de geschiedenis der Vereenigde Nederlanden" (21 dln., Amsterdam, 1749—1760), loopende tot 1751. Later werd zij door anderen vervolgd tot 1802 onder den titel „Vervolg van Wagenaar's Vaderlandsche Historie" (52 dln., Amsterdam, 1788—1810). Nadat Wagenaar in zijn houthandel groote verliezen geleden had, benoemde de stedelijke regeering van Amsterdam hem in 1756 tot redacteur der stadscourant, welke betrekking hij in 1760 opgaf. Daarop schreef hij het merkwaardige „Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorrechten, koophandel, gebouwen enz." (3 dln., Amsterdam, 1760—1767). In 1760 werd hem door het bestuur van Amsterdam den titel van „stadshistorieschrijver" verleend. Tevens werd hij benoemd tot klerk ter secretarie van Amsterdam, welke betrekking hij waarnam tot aan zijn overlijden, den l8,en Maart 1773. Van zijn overige geschriften noemen wij: „Bedenkingen en verhandelingen over den Christelijken waterdoop, bijzonder dien der kinderen" (1740), „Toets van de echtheid der rijmkroniek, op naam van Klaas Kolijn uitgegeven," „Koffiehuispraatje" (1747), „De Patriot" (1748), „Geschiedenis van de Christelijke Kerk in de eerste eeuw" (1773) en „Levensschets •van mr. H. Noordkerk" (1771).

Wagenaar, Jóhan, een Nederlandsch toonkunstenaar, werd den lstei1 November 1862 te Utrecht geboren. Hij gaf zijn eerste proeven van muzikaliteit op de harmonica, legde zich vervolgens toe op de studie van 't klavierspel, en werd leerling van de muziekschool der Maatschappij tot bevordering der Toonkurst. Hij studeerde tevens viool en compositie, en genoot de lessen van M. W. Petri, Van der Wurff,6. VeermanenRichardHoLZijn hoofdinstrument werd het orgel, waarvoor hij later nog studeerde bij Samuel de Lange te 's Gravenhage. In 1885 behaalde hij zijn diploma en werd kort daarna pianoleeraar aan de hiervoor genoemde school, terwijl hij tevens als 2den violist en accompagnateur werd aangenomen bij het Utreclitsche Orkest. Na twee jaren nam hij zijn ontslag uit het orkest, assisteerde Richard Hol in zijn functie van organist van den Dom, volgde hem in 1887 op als leeraar in de theorie der muziek aan de Toonkunst-school en in 1888 als organist. In 1892 nam hij verlof uit zijn betrekkingen en reisde naar Duitschland, waar hij studeerde bij den bekenden contrapuntist H. von Herzogenberg te Berlijn. Als lid van den „Utrechtschen Kunstkring" en de vroolijke „Shelfish club" had hij zich intusschen reeds naam verworven door zijn humoristische compositie op het gedicht „De Schipbreuk" van den Schoolmeester. Na de ontbinding dezer beide vereenigingen, richtte hij in 1893 „De Muzikale Kring op", waarvan hij sedert de oprichting directeur is. Met het koor dier vereeniging gaf hij in verschillende plaatsen uitvoeringen van zijn Schipbreuk. Een even groot succes was in 1901 zijn humoristische opera „De Doge van Venetië", eveneens door den „Muzikalen Kring" opgevoerd, evenals de kleinere humoresken: „Zweedsche Lucifersmarsch" en „Ode aan de Vriendschap." Na den dood van Richard Hol in 1904 volgde hij dezen op als directeur der Toonkunst-school en als dirigent der zangvereeniging van Toonkunst, die onder zijn leiding opnieuw tot grooten bloei kwam. In 1910 was hij tevens directeur der Arnhemsche afdeeling. Hij nam dit dirigentschap echter slechts kort waar, en werd in 1911 benoemd tot dirigent der afdeeling Leiden als opvolger van Daniël de Lange. Hij schreef, behalve liederen, walsen, marschen en orgelwerken, een aantal composities voor groot orkest, onder welke vooral van belang zijn: „Ouverture Kon in gUan", „Tritlij of s Meer f ah rt", „ In termezzo romantico", „Lustspiel Ouverture",, Liefdes zomer" „Ouverture Cyrano", „Saul en David", „Ouverture „De getemde Feeks."

Wagenburg; was in de oorlog en vande Oudheid en de Middeleeuwen een verzameling van wagens, welke in den vorm van een vierkant dicht bij elkander geplaatst en met een wal en een gracht omgeven werden. Hij diende als taktisch steunpunt voor de slagorde; somtijds ook was hij het middelpunt daarvan. Toen het geschut in gebruik kwam, verloor de wagenburg zijn beteekenis.

Wagener, Hermann, een Pruisisch staatsman, geboren te Segelitz bij Neurupin den 8sten Maart, 1815, trad in staatsdienst, maar zag zich in 1848, als tegenstander van de liberale strooming, genoopt ontslag te nemen. Hij vestigde zich als advocaat en werd door de leiders van de conservatieve partij belast met het oprichten en de redactie van een nieuw orgaan, „Neue Preuszische Zeitung" (Kreuzzeitung), waarvan hij tot 1854 hoofdredacteur was.

Sluiten