Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(1862), „Die österreichische Valuta" (1862), „Die Ordnung des österreichischen Staatshaushalts"

(1863), „Die russische Papierwa,hrung"(1868), „System der deutschen Zettelbankgesetzgebung" (2d8 druk, 1875) en „Die Zettelbankreform im Deutschen Reich" (1874). Op het gebied der statistiek bewoog hij zich in het werk: „Die Gesetzmaszigkeit in den scheinbar willkürlichen menschlichen Handlungen" (1864). Op staatkundig gebied had hij groot succes met het werkje: „Elsasz und Lothringen und ihre Wiedergewinning für Deutschland" (6de druk, 1870). In October 1871 hield hij in de „vrije kerkelijke vergadering van Evangelische mannen" een redevoering over de sociale quaestie, waaruit bleek, dat zijn gevoelens aanmerkelijk verschilden van die der voorstanders van den vrijen handel. H. B. Oppenheim gebruikte naar aanleiding daarvan de benaming „Kathedersocialisten", waarop Wagner antwoordde in een „Offenen Brief" (1873). Wagner vond ondersteuning bij Schmoller, Held, Nasse en Brentano. Spoedig echter ontwikkelden zijn denkbeelden zich zoodanig, dat hij uit het bestuur der vereeniging voor Sociale Politiek trad, waarna hij zijn afwijkende meeningen uiteenzette in „Die Kommunalsteuerfrage" (1878). In het openbaar verdedigde hij zijn meening, dat een doortastende hervorming der tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen volstrekt noodzakelijk is. Sedert 1881 nam hij ook aan het openbare leven in staatssocialistische richting deel; van 1882—1885 was hij lid van het Huis van Afgevaardigden en in 1909 werd hij voor levenslang benoemd tot lid van het Pruisische Heerenhuis.

In 1871 begonnen met de bewerking van een nieuwen druk van Bau's „Lehrbuch der politischen Oekonomie", gaf hij dezen, na het verschijnen van het eerste deel „Finanzwissenschaft" (1871—1872), op wegens principieel verschil in standpunt. Daarna begon hij, eerst met Natte, vervolgens met Buchenberger, Bücher en Dietzel, aan een zelfstandig „Lehrund Handbuch der politischen Oekonomie", waarvan van Wagner1 s hand tot nu toe verscheen: dl. I, „Grundlegung" (3"e druk, 3 dln., 1892—1893; l8te dl., 4"° druk, 1907 onder den titel „Theoretische Sozialökonomie, eine allgemeine und theoretische Volkswirtschaftslehre"), dl. Y—VII, „Finanzwissenschaft" (l8te dl., 3de druk, 1883; 2de dl., 2de druk, 1890 ; 3de dl. 1889; Aanvullingsdeel, 1896; 4de deel, 1899—1901). In dit werk geeft Wagner een vorm van staatsinrichting aan op „sociaal rechtelijken" • grondslag. Van zijn andere werken noemen wij: „Die neueste Silberkrisis und unser Münzwesen" (1894), „Grundrisz zu Vorlesungen über Finanzwissenschaft" (1898), „Agrar- und Industriestaat" (2de druk, 1902), „Wohnungnot und stadtische Bodenfrage" (1901). Ook gaf hij de letterkundige nalatenschap van Rodbertus-Jagetzow uit en was hij redacteur van de „Zeitschrüt für die gesamte Staatswissenschaft."

Wagner, Hermann, een Duitsch aardrijkskundige en statisticus, een broeder van den voorgaande, geboren te Erlangen den 23stel Juni 1840, studeerde te Göttingen en te Erlangen in de wis- en natuurkunde en was van 1864—1876 leeraar aan het gymnasium te Gotha. In 1868 werd hij redacteur van het statistieke gedeelte van den „Almanach de Gotha". Met Behm gaf hij, als aanvulling op „Petermanns Mitteilungen" het statistische werk „Die

Bevölkerung der Erde" (aflevering 1—7, 1872— 1882; aflevering 8 en 9 onder redactie van Wagner en Supan, 1891en 1893) uit. In 1874 verscheen zijn „Wandkarte des Deutschen Reichs und seiner Nachbarlander" (6de druk, 12 bladen, 1902) en in 1888 een nieuwe bewerking van Sydow's „Methodischer Schulatlas" (13de druk, 1907). Naast verschillende verhandelingen in het „Geographisches Jahrbuch", waarvan Wagner in 1879 de redactie aanvaardde, en in „Petermanns Mitteilungen", bezorgde hij in 1879 en van 1881—1882 een nieuwen druk van het „Lehrbuch der Geographie" van Guthe, dat als 6de druk (tot heden: dl. 1. „Allgemeine Erdkunde", 7de druk, 1907) als zelfstandig werk verscheen. In 1876 werd hij hoogleeraar in de aardrijkskunde te Koningsbergen, terwijl hij in 1880 tot opvolger van Wappaus te Göttingen werd benoemd.

Wagner, Wilhelm Richard, een beroemd Duitsch toonkunstenaar, geboren te Leipzig den 22"ten April 1813, studeerde te Leipzig o. a. onder Weinlig in de theorie van het contrapunt, terwijl hij tegelijkertijd colleges volgde in wijsbegeerte en schoonheidsleer. Als vruchten van zijn studiesTbij Wemlig verschenen een sonate en een polonaise voor klavier (verschenen als op.1 en op.2) en in 1833 een symphonie en een concertouverture met fuga, welke beide met bijval werden ontvangen. De eerste schrede op de dirigentenloopbaan deed hij in 1833 te Würzburg, waar zijn broeder Albert operazanger en regisseur was. Hier ontstond zijn eerste opera „Die Feen", waarvoor hij den tekst naar GozzVs „La donna serpente" zelf had geschreven. Zijn pogingen om haar te doen opvoeren, mislukten. Zijn tweede opera „Das Liebesverbot" beleefde te Maagdenburg, waarTFagner van 1834—1836 schouwburgkapelmeester was, één slecht voorbereide opvoering. In Januari 1837 vertrok hij als schouwburgkapelmeester naar Koningsbergen, waar hij in het huwelijk trad met Minna Planer. Nog op het einde van dat jaar werd hij kapelmeester te Riga, vanwaar hij, in de verwachting, dat zijn opera „Rienzi" (naar Bulwer's gelijknamigen roman) te Parijs bijval zou vinden, op goed geluk over zee daarheen vertrok. Echter werd hij ook hier in zijn verwachtingen teleur gesteld. Ondanks de bemoeiingen van Meyerleer slaagde hij er niet in zijn in 1840 voltooiden „Rienzi" te doen opvoeren, evenmin als „Der fliegende Hollander." Door allerlei handlangersdiensten op muzikaal gebied moest hij in zijn onderhoud voorzien, totdat het bericht, dat „Rienzi" te Dresden en „Der fliegende Hollander" te Berlijn was aangenomen, hem in 1842 naar Duitschland deed terugkeeren. Na het schitterend succes van zijn „Rienzi" (den 208ten October 1840), gevolgd door dat van „Der fliegende Hollander" (niet te Berlijn, maar den 2den Januari 1843 eveneens te Dresden), scheen, door zijn benoeming tot koninklijk Saksisch hofkapelmeester, zijn stoffelijke positie verzekerd. Intusschen ondervond hij met de uitvoering van „Tannhauser" (te Dresden den 19den October 1845), reeds moeilijkheden en bleek die van „Lohengrin" (voltooid in den winter van 1847—1848) zelfs onmogelijk. Daarenboven zag hij zich door deelneming aan de revolutionnaire beweging van 1849 genoodzaakt Dresden te verlaten. Met behulp van Liszi, die den 288'1-'11 Augustus 1850 den „Lohengrin" voor het eerst te Weimar wist te doon uitvoeren, bereikte hij over Weimar

Sluiten