Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ahrned in 1831 werd gedood. Na dien tijd schijnen de Wahhabieten in Britsch-Indië van hun staatkundige bemoeiingen te hebben afgezien.

WaJilenberg', Georg, een Zweedsch natuurkundige, geboren den lBt«n October 1780 in Wermland, studeerde te Upsala in de geneeskunde, reisde in Zweden en Noorwegen, Bohemen, Hongarije en Zwitserland en werd in 1826 hoogleeraar in de planten geneeskunde te Upsala. Tot zijn belangrijkste geschriften behooren: „Geographisk och ekononomisk beskrifning om Kemi Lappmark" (1804), „Berattelse om matningar och observationer öfver Lappska fjallens höjd och temperatur under 67°, förrattade 1807" (1808), „Flora lapponica" (1812), „De climate et vegetatione Helvetiae septentrionalis" (1813), „Flora Carpatorum" (1814), „Flora Upsaliensis" (1820), „Geologiek afhandling om Svenska jordens bildning"(1824) en „Flora suecica" (nieuwe druk, 1831—1836). Bovendien hield hij zich bezig met geologische onderzoekingen en bevorderde hij de invoering van de homoeopathie in Zweden. Hij overleed den 22sten Maart 1851 te Upsala.

W&hlenberg', Anna, een Zweedsch schrijfster, geboren den 238ten Mei 1858 te Stockholm, huwde in 1888 met Kjevrman en maakte zich bekend door een aantal geslaagde tooneelspelen en verhalende werken. Van de eerste noemen wij: „De geheime deur", „Oom Paul", „Waak", „Twee zinspreuken", „Cendrillon" en „Arme kleine". Onder haar verhalende werken munten uit: „Kleine zielen" (1887), „Een groot man"(1894), „Bindende banden" (1898), „Twee vrouwen" (1899) en „Met opgeheven vleugels" (1901).

Wahnschaffe, Felix, een Duitsch geoloog, geboren den 278ten Januari 1861 te Kaltendorf bij öbisfelde, studeerde te Leipzig en te Jena in de natuurwetenschappen, vestigde zich in 1886 als privaatdocent voor algemeene geologie en bodemkennis te Berlijn, waar hij in 1892 hoogleeraar werd. In 1883 bereisde hij Zweden en Noorwegen, in 1887 de Russische Oostzee-provincies, Möhn en Osei, in 1891 N. Amerika en in 1897 Finland, Centraal-Rusland en den Kaukasus. In 1886 benoemd tot rijksgeoloog en in 1902 tot afdeelingschef voor de geologische onderzoekingen in het N. Duitsche laagland, heeft hij zich vooral verdienstelijk gemaakt door zijn onderzoek naar afzettingen gedurende den ijstijd in Duitschland. In de verhandelingen bij de geologische kaart van Pruisen schreef hij: „Die Quartarbüdungen der Umgegend von Magdeburg, mit besonderer Beriicksichtigung der Börde" (Berlijn, 1885) en „Die Lagerungsverhaltnisse des Tertiars und Quartars der Gegeild von Buckow" (Berlijn, 1893). Bovendien verschenen nog van zijn hand: „Anleitung zur wissenschaftlichen Bodenuntersuchung"(2lle druk, Berlijn, 1903), „Die Oberflachengestaltung des norddeutschen Flachlandes, auf geologischen Grundlage dargestellt" (3de druk, Stuttgart, 1909) en „Der Grunewald bei Berlin, seine Geologie, Flora und Fauna" (met P. Graebner, Jena, 1907).

W&hoema (= lieden van het N.) is een Hamietisch volk, donker- of helderbruin van kleur, met fijne, gelaatstrekken en licht kroeshaar, dat in het merengebied van Equatoriaal Afrika woont en waartoe de hoofdliedenfamilies in Oeganda, Oenjora, Karagwe, Oekerewe, Oesindja, Roeanda en Oehha behooren. In het gebied van het VictoriaNjansameerwordenzijWatoessie en W ah o e¬

t o e, N. O. lijk van het Tanganjikameer W a t a s i genoemd; W a w i t o e heeten de vorstengeslachten van Oenjoro, R o e h i n d a die van Karagwe. Van de Bantoe-Negers onderscheiden zij zich door de lichtere huidkleur en hun fijneren Lichaamsbouw; ook verminken zij hun lichaam niet en loopen zij nooit geheel naakt. Zij hebben overal de taal van het land aangenomen; in sommige streken bewaren zij echter een eigenaardig dialect. Zij behooren tot den stam der Galla's en zijn wellicht uit de streken te Z. van Abessinië afkomstig.

Wahrmund, Adolf, een Duitsch oriëntalist, geboren te Wiesbaden den 10den Juni 1827, studeerde te Göttingen in de godgeleerdheid en de letteren en wijdde zich daarna te Weenen vooral aan het bestudeeren der levende Oostersche talen. In 1862 werd hij leeraar aan de hoogeschool en in 1870 ook aan de Oostersche academie te Weenen, waarvan hij in 1885 directeur werd. Zij voornaamste werken zijn: „Praktisches Handbuch der neuarabischen Sprache" (3de druk, 3 dln., 1886) met een hierbij behoorend „Lesebuch" (2de druk, 2 dln., 1880), „Praktisches Handbuch der osmanisch-türkischen Sprache" (2de druk, 3 dln., 1884), „Praktisches Handbuch der neupersischen Sprache" (2de druk, 3 dln., 1889) en „Handwörterbuch der neuarabischen und deutschen Sprache und der deutschen und neuarabischen Sprache" (2de druk, 3 dln., 1887—1888). Bovendien schreef hij: „Dichtungen" (2de druk, 1892), „Abbasa, Trauerspiel" (1890), „Das Reich der Zwecke" (1895) enz.

W&hsatchg'eberg'te is de naam van een gedeelte van het Rotsgebergte (zie Bocky Mountains) in denN. Amerikaanschen staat Utah. Gelegen tusschen 110° en 112° O. L. v. Gr., loopt het, naar het W. steil afhellend, van het Groote Zoutmeer tot aan den Colorado Canon in het Z. en bereikt het in den Mount-Terril en in den Belknop een hoogte van 3035, resp. 3720 m.

Waiblingen. Zie Ghibellijnen.

Waibling er, Wilhelm, Friedrich, een Duitsch dichter en schrijver, geboren den 21sten November 1804 te Heilbronn, schreef als leerling op het gymnasium te Stuttgart den wijsgeerigen roman „Phaëton", die echter eerst in 1823 in 2 deelen in het licht verscheen. Hij studeerde te Tübingen in de letteren en in de godgeleerdheid en ondernam in 1826 een reis naar Italië. Zijn rijke phantasie maakte zijn werken in hoogte mate aantrekkelijk. Intusschen ontbrak hem de hoogste ontwikkeling en loutering. Wij noemen van hem: „Vier Erzahlungen aus Griechenland" (1823), „Lieder der Griechen" (1823), „Drei Tage in der Unterwelt" (1826), „Blüten der Muse aus Rom"(1829) en „Taschenbuch aus Italien und Griechenland" (1829—1830). Hij overleed den 17den Januari 1830 te Rome. Zijn „Gesammelte Werke" werden uitgegeven door von Canitz (3de druk, 9 dln., 1859), zijn „Gedichte" door Morike" (1844). Door de zorgen van Grisebach verschenen: „Bilder aus Neapel und Sizilien" (1879) en „Gedichte aus Italien".

Waigakha of soedatld (= deugdzame geefster) was een vrouwelijke Boeddhistische asceet. Zij werd geboren te Sr&wastï en werd moeder-abdis van een klooster. Zij wordt beschouwd als de beschermheilige van de Boeddhistische vrouwelijke asceten.

Waigat. Zie Waaigat,

Sluiten