Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derlijk ministerie, dat den naam van iïwkaf Nstzareti voert.

Wal is de naam van een aardophooping, welke het hoofdbestanddeel vati het blijvende gedeelte van een vestingwerk vormt. Hij dient om aan de strijdmiddelen een gedekte opstelling te geven en de bomvrije ruimten, welke er onder liggen, te beschermen. Aan de voorzijde van den wal, ligt, ter bescherming tegen rechtstreeksch vuur, de borstwering, waarachter (1,3—1,4 m. lager) het banket of (1,6 m. voor rechtstreeks, 2,2 m. beneden de vuurlijn voor niet rechtstreeks vurend geschut) de geschutbank ligt. Daarop volgt, 2,5 m. onder de vuurlijn, de walgang, ter breedte van 2,5 m. Achter den walgang ligt de walstraat; zij staan door trappen met elkander in verbinding.

Wal, Gabinus de, een Nederlandsch rechtsgeleerde, geboren te Leeuwarden den 308tei> December 1785, studeerde te Groningen in de rechten, vestigde zich als advocaat in zijn geboortestad en werd in 1816 hoogleeraar in de rechtsgeleerdheid te Franeker en in 1821 te Groningen. Hij schreef o. a. een verhandeling: „Over den voor- of nadeeligen invloed eener nieuwe wetgeving in de taal des lands op de wetenschappelijke beoefening der rechtsgeleerdheid" (1820) met een bijvoegsel „Over de practische bruikbaarheid van vroegere wetten, bijzonder van 't Romeinsche recht, nevens later ingevoerde wetboeken." Zijn prijsverhandeling: „Over het bestaan, den aard en de behandeling van het natuurrecht" werd door de Derde Klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut met goud bekroond, alsmede zijn verhandeling: „Over de voordeelen der burgermaatschappij boven die van den natuurstaat en die der Nederlanden boven die der andere volken" door de Maatschappij tot Nut van 't algemeen. Ook heeft hij verschillende stukken in de „Bijdragen tot de rechtsgeleerdheid" en in het „Woordenboek van Nieuwenhuis" geleverd. Hij overleed den 228ten September 1833.

Wal, Johan de, een Nederlandsch rechtsgeleerde en letterkundige, een zoon van den voorgaande, geboren te Franeker den 3den April 1816, vestigde zich in 1839 als advocaat te Assen, werd in 1841 substituut-officier van Justitie te Winschoten, in 1845 substituut-advocaatfiscaal bij het Hoog Militair Gerechtshof te Utrecht en daarna secretaris-generaal van het departement van Binnenlandsche Zaken. V an 1848—1870 was hij hoogleeraar in de rechtsgeleerdheid te Leiden en daarna voorzitter derstaatscommissie voor de strafwetgeving. Van zijn geschriften vermelden wij: „Peter de Groote,treurspel"(1836), „Vrouwelijk leven. Uitgegeven ten voordeele der noodlijdenden binnen de stad Groningen" (1838), „Bijdragen tot de geschiedenis en oudheden van Drenthe" (1842), „De Moedergodinnen. Een oudheidkundg-mythologische verhandeling" (1846), „Over de beoefening der Nederlandsche mythologie naar aanleiding der jongste tot dat onderwerp betrekkelijke geschriften" (1847), benevens de levensberichten van K. Lachman, S. Gratama, T. Siegenbeek e.a. in de „Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letteren" (1851—1865). Op rechtskundig gebied verschenen van hem: „Aanteekeningen en bedenkingen op het ontwerp van het wetboek van strafrecht" (1839), „Orationes academicae" (1851), „Het Nederlandsche handelsrecht" (3 dln., 1861—1876)'en. „Beitrage zur Literaturgeschichte

des Civilproceszes" (1867). Eindelijk bezorgde hij een uitgave van de „Lex Frisonum, lex Angliorum et Werinorum" (1850). Hij overleed den 88'611 Februari 1892 te Arnhem.

Walaam (Finsch Valamo), een rotsachtig eiland, rijk aan natuurschoon in het N. W. van het Ladogameer, behoort tot het Finsche gouvernement Wiborg. Op het eiland, dat een oppervlakte van 52 v. km. beslaat en door een stoomvaartlijn met St. Petersburg is verbonden, bevindt zich een Russisch monnikenklooster (13de eeuw), dat druk door bedevaartgangers wordt bezocht.

Walachen. Zie Roemenen.

Walachije, het Z. lijkste der tot den staat Roemenië behoorende Donauvorstendommen,wordt in het O. en Z. door de Donau van de Debroedsja en Bulgarije in het N. W. door de Karpaten van Zevenburgen en in het N. gedeeltelijk door de Karpaten, gedeeltelijk door den Milkow van Moldavië gescheiden. Het telt op een oppervlakte van 77 595 v. km. (1906) 4 259 876 inwoners. De bodem bestaat uit een zeer vruchtbare vlakte, die van de Transsylvanische Alpen allengs afdaalt naar de Donau en door talrijke rivieren en bergstroomen, welke in de Donau uitmonden, wordt bevloeid. De voornaamste rivieren zijn: de Sjyl (Jioeloe), de Aloeta, de Ardsjisj met de Dimbowitza, en de Jalomitza met de Prahowa. Het klimaat is zeer afwisselend. Landbouw en veeteelt vormen de voornaamste bronnen van bestaan. De uitvoer van granen en grondstoffen is aanzienlijk, terwijl nagenoeg alle voortbrengselen van nijverheid worden ingevoerd. De talrijke wouden leveren brand- en timmerhout. De wijnbouw is flink ontwikkeld; De wijnen van Odobesi en Dragasjani zijn zeer gezocht. De bodem is rijk aan steenzout en steenkoolbeddingen, alsook aan petroleumbronnen. Bovendien komen allerlei delfstoffen en metalen voor, welke echter slechts weinig ontgonnen worden. De belangrijkste minerale bronnen bevinden zich te Galimanesci en te Olanesci. Druk bezochte badplaatsen zijn verder Serbanesci—Poecioasa en Balta Alba. Het verkeer heeft, behalve langs de Donau, plaats langs een rijk vertakt spoorwegnet. Walachije wordt door de Aloeta verdeeld in Groot- (O. lijk) en Klein-Walachije. Het is verdeeld in 17 distrikten. De hoofdstad is Boekarest.

De oudste geschiedenis van Walachije als gedeelte van Dacië is behandeld in het artikel Roemenië (zie aldaar). In 1247 vormde zich ten O. van de Aloeta het vorstendom Seneslav. Basardb 1 (1330—ongeveer 1340) vestigde de dynastie der Basarabs, welke, met korte tusschenpoozen, tot 1659 heerschte. Mircea I (1386—1418) is de eigenlijke organisator van het vorstendom, dat toen de Zevenburgsche hertogdommen Amlasj en Fogarasj, een gedeelte van Bulgarije met Silïstria en de Dobroedsja met Kilia omvatte. Na den slag bij Kossowo (1389) ontnam hij aan de Osmanen de streek aan gene zijde van de Donau, terwijl hij in 1394 bij Rovine in het Aloetadal de overwinning op Bajesid I behaalde. In 1411 sloot hij een verdrag, waarin de onafhankelijkheid van Walachije onder eigen vorsten werd verzekerd, de nederzetting van Turken in Walachije verboden en den Turken een jaarlijksche schatting werd toegekend. Onder Vlad III Tzepesj (1466—1462) en zijn broeder Radoe III, den Schoone (1462—1474) drongen de Turken herhaaldelijk het vorstendom'binnen om zich een weg naar Hon-

Sluiten