Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd den 12den Mei 1893 opgevolgd door zijn oudsten zoon Friedrich, geboren den 20slen Januari 1865.

Waldeck, Benedikt Franz Leo, een Pruisisch staatsman, geboren te Munster den 31sten Juli 1802, studeerde te Göttingen, was aanvankelijk werkzaam bij de rechterlijke macht en werd in 1848 afgevaardigd naar de Pruisische Nationale Vergadering, waar hij als leider der uiterste linker zijde optrad. Als voorzitter van de commissie tot het ontwerpen van een grondwet ontwikkelde hij een buitengewone werkzaamheid, zoodat deze, ook in den geoctroyeerden vorm, als zijn werk beschouwd en met den naam van „Charte-Waldeck" bestempeld werd. Hij nam deel aan het besluit om de belasting te weigeren, onderteekende de proclamatie aan het volk van den 278ten November na het ontbinden van de Nationale Vergadering en was opsteller van de acte van beschuldiging van hoogverraad tegen het ministerie Brandenburg-Manteuffel. Na de opening van den Landdag van 1849 werd hij den l6"en Mei plotseling in hechtenis genomen, op grond van een brief van den naar Zwitserland uitgeweken afgevaardigde D'Ester aan den handelsbediende Ohm, waarin Waldeck genoemd werd als ingewijd in plannen van hoogverraad. Waldeck werd den 7den December door de jury vrijgesproken en in 1860 te Berlijn weder afgevaardigd naar het Pruisische Huis van Afgevaardigden, waar hij tot de ijverigste leden der partij van den vooruitgang behoorde. Vooral gedurende den tijd van het grondwetsconflict, 1862—1866, vervulde hij er een belangrijke rol. Terwijl hij in 1866 voor de annexatie gestemd had, verklaarde hij zich op den Noord-Duitschen Rijksdag tegen de Bondsconstitutie. In 1869 legde hij om redenen van gezondheid zijn mandaat neder. Hij overleed te Berlijn den 12den Mei 1870. Zijn „Briefe nnd Gedichte" (1883) werden uitgegeven door Schlüier.

Waldeck-Rousseau, Pierre Marie, een Fransch staatsman, geboren te Rennes den 2de" December 1846, studeerde in de rechten en vestigde zich als advocaat te Rennes. In 1879 werd hij gekozen tot lid der Kamer van Afgevaardigden, voegde zich bij de Republikeinsche Unie en deed van zich speken als rapporteur over de wet tot hervorming van de magistratuur, waarbij hij de afzetbaarheid

der rechters verdedigde. In de ministeries Gambetta (1881—1882) en Ferry (1883—1886) was hij belast met de portefeuille van Binnenlandsche Zaken. Nadat hij zichgedurendegeruimentijduitdestaatkunde had teruggetrokken, werd hij den 7de" October 1894 tot senator benoemd. Bij de presidentsverkiezing van 1896 trok hij zich ten gunste van Faure terug. In Juni 1899 trad hij op als leider van een Kabinet, dat niet alleen de „affaire Dreyfus" tot een bevredigend einde trachtte te brengen, maar tevens den strijd tegen do reactionnair-clericale partij, die deze zaak jaren lang had gaande gehouden, met kracht, hoewel gematigd aanbond. Hij vereenigde alle rartijen der linker zijde in den strijd voor de „défense républicaine" en stelde tegenover de nationalistische coalitie het republikeinsch „bloc." In 1899 werd Dreyfus begenadigd. Daarna richtte hij zich tegen de clericale partij en wist de wet op de congregaties van den l8len Juli 1901 te doen aannemen. Na de verkiezingen van 1902 diende het Kabinet, ofschoon zij gunstig uitvielen, zijn ontslag in, waarna Waldeck- Rousseau zich om gezondheidsredenen uit de

actieve staatkunde terugtrok. Van zijn hand verschenen : „Discours parlementaires" (nieuwe druk, 1894), „Questions sociales" (1900), „Associations et congrégations" (1901), „Défense républicaine" (1902), „Action républicaine et sociale" (1903) en „Politique fran^aise et étrangère (1903). Hij ov rleedden I0den Augustus 1904 te Parijs. Na zijn dood verschenen: „Pour la République, 1883—1905" (1905) en „L'Etat et la liberté" (2 dln., 1906), redevoeringen gehouden van 1879—1885, benevens „Plaidoyers" (2 dln., 1906).

Waldemar I, deGroote,koning van Denemarken, geboren den 14den Januari 1131, was een zoon van Knoet Lavard, werd in 1150 hertog van Sleeswijk en in 1157 als opvolger van Sven tot koning gekroond. Hij huldigde in 1162 keizer Frederik 1, streed met Hendrik den Leeuw van 1159—1179 bijna onafgebroken tegen de Wenden, waarbij hij Rugen veroverde. Met medewerking van zijn raadsman Absalon verhief hij Denemarken tot een machtig rijk. Hij overleed den 12den Mei 1182.

Waldemar II, de Overwinnaar, geboren den 28sten Juni 1170, de jongste zoon van den voorgaande, volgde in 1202 zijn ouderen broeder, Knoei VI, op, voltooide de onderwerping van de N. Duitsche landstreken ten Z. van den Eider tot Danzig toe en droomde van de vestiging van een Deensch Oostzeerijk. In 1206 veroverde hij Dagö en ösel, in 1210

.Pruisen en bamland, in 1219 ook Üsthland, maar werd, met zijn zoon Waldemar den Jonge (1209—1231), die reeds in 1218 tot koning gekroond was, van 1223-—1225 door graaf Heinrich van Schwerin gevangen gehouden. Toen hij de voorwaarden voor zijn invrijheidstelling niet nakwam, dwongen de verbonden vorsten van N. Duitschland hem na de nederlaag bij Bornhöved (1227) om afstand te doen van alle bezittingen op den Z. lijken Oostzee-oever, met uitzondering van Rugen, Esthland en een klein gedeelte van Pruisen. Hij overleed den 28s,en Maart 1241.

Waldemar III, hertog van Sleeswijk, geboren in 1314, volgde in 1325 zijn vader Erich 11 in Sleeswijk op, werd in 1326, in plaats van Chrïdoph 11, gekozen tot koning van Denemarken, maar moest reeds in 1330 afstand doen. In 1340 was hij genoodzaakt Sleeswijk aan zijn oom Gerhard 111 van Holstein tegen N. Jutland te verpanden. Hij overleed in 1364.

Waldemar IV, Atterdag („weder dag"), geboren omstreeks 1317, een zwager van den voorgaande, werd, nadat Gerhard III was vermoord, in 1340 koning van Denemarken, waar het onder zijn regeering „weder dag" werd. In 1346 verkocht hij Esthland aan de Duitsche Orde en omstreeks 1360 had hij de oude grenzen van het rijk weder hersteld. In 1360 verzekerde hij de rechten van den adel door het handvest van KaJlundberg. Door het brandschatten van Wisby (1361) geraakte hij in twee noodlottige oorlogen met de Hansa. Van 1368—1372 zag hij zich genoopt om in het buitenland te vertoeven. Hij overleed den 24s"'n October 1376.

Waldemar, markgraaf van Brandenburg, een zoon van markgraaf Koenraad 11, dien hij in 1303 opvolgde, stond naderhand, na den dood van zijn oom Otto IV (1309), aan het hoofd van alle markgrafelijke bezittingen der Askaniërs en ontrukte aan de Polen Pommerellen, dat hij met de Duitsche Orde deelde. Toen in 1312 markgraaf Frederik 1 van Meis-

Sluiten