Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ratie-schilder en etser, werd geboren te Amsterdam in 1740 en overleed te 's Gravenhage in 1809. Hij was een leerling van J. A. Ellinger en J. M. Quvnkhard. Hij schilderde decors voor het theater te Amsterdam en maakte zwart-krijt-teekeningen naar schilderijen van Rembrandt, Frans Hals en andere oude meesters, benevens etsen. Teekeningen van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het TeijlerMuseum te Haarlem.

Waldorp, Anton, een Hollandsch schilder van binnenhuizen, portretten, kerkinterieurs en vooral van riviergezichten, werd geboren te 's Gravenhage den 22sten Maart 1603 en overleed te Amsterdam den 12aen Oct. 1866. Hij was een leerling van den decoratie-schilder J. H. A. A. Breckenheimer en begon dan ook met het schilderen van tooneeldecoraties. Met Nuijen reisde hij door België en Duitschland. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum te Amsterdam in het Museum Boymans te Rotterdam en in het Gemeente-Museum te 's Gravenhage.

Waldseemüller (WaUzemüller, Hylacomylus, Ilacomilus), Martin, een Duitsch aardrijkskundige, gaf in 1607 te Saint-Dié (Lotharingen) een klein werkje, getiteld „Cosmagraphiae introductio" uit (facsimile druk, met inleiding van von Wieser, Straatsburg, 1908). Op de daarbij behoorende wereldkaart in 12 houtsneden, door P.J. Fiseher in 1901 in de bibliotheek van den vorst van Waldburg te Wolfegg ontdekt, komt voor het eerst het woord „America" als naam voor de Nieuwe Wereld voor. Met de later gevonden „Carta Marina" uit 1516 werd zij door Fischer en Wieser (26 bladen met tekst, Innsbrück, 1903) uitgegeven. Bovendien is de „Carta itineraria Europae" van Waldseemüller, afkomstig uit 1511, teruggevonden.

Wa.lrtBt.ii.tte is sedert het begin van de 14'le

eeuw de naam van de drie Zwitsersche oerkantons TTri Sr.Viwvz. TTnterwalden. waarbij zich in 1332

Luzern als vierde aansloot. Zij voerden dien naam als voormalige nederzettingen in de „Waldbergen", welke het naar hen genoemde \ ierwaldstatter See omgeven.

Walen noemt men de bevolking van Romaanschen stam, die de Belgische provincies Henegouwen, Namen, Luik en gedeeltelijk Luxemburg, alsmede Z. Brabant bewoont en die ook wordt aangetroffen in een deel der Fransche departementen Ardennen, Aisne en Nord, benevens in enkele plaatsen om Malniedy in Rijn-Pruisen. Zij stammen af van de oude Gallische Belgen, die zich met Romeinsche elementen vermengden. Middelmatig lang en ineengedrongen van bouw, hebben zij veelal donker haar en donkere oogen, terwijl zij in beweeglijkheid hun Vlaamsche, in volharding en vlijt hun Fransche naburen overtreffen. In België schat men hun aantal op 2 k 3 millioen.

De taal der Walen is van Romaanschen oorsprong. Zij heeft echter enkele bestanddeelen aan liet Nederlandsch en het Neder-Duitsch ontleend. Zij is rijk aan metaforen en onomatopoeën. Tot in de 16dc eeuw werd zij gebruikt bij het opstellen van kronieken enz. Daarna werd zij als beschaafde taal langzamerhand door het Fransch verdrongen. De patoisletterkunde begint in de 17ae eeuw. Het eerste treurspel was „Li voëge di Chaudfontaine" (1757), waarop andere volgden. Van de latere schrijvers

noemen wij Sirrwnon („Poésies en patois d<> Liège", 1845) en Defreeheux („Oeuvres complètes", 1845).

Walengang' noemt men een gang langs de inwendige zijde van de boorden van een schip onder den waterspiegel.

Walensee (W allen stadter See), het meest romantische bergmeer va.i Zwitserland, op een hoogte van 423 m. boven den zeespiegel tusschen de kantons St. Gallen en Glarus gelegen, heeft een oppervlakte van 23,27 v. km. en een grootste diepte van 151 m. In het N. wordt het omsloten door den kalen en steilen Churfirsten, waarvan korte bergbeken afstroomen en waaraan hier en daar een ld in dorpje hangt. De minder steile Z. oever wordt gevormd door de Glarner Alpen. In het O. en W. zijn de oevers vlak en gedeeltelijk moerassig. Van Weesen, waar het Escher-of Molliserkanaal de wateren van den Linth in het meer voert en het Linthkanaal, dat de afwatering naar het Zuricher Meer vormt, begint, loopt de spoorweg Zurich—Sargans door negen tunnels onmiddellijk langs den Z. oever naar het plaatsje Wallenstadt, met bontweverij en cementfabrieken en (1900) 3044 inwoners. Een derde plaats aan het meer is het schilderachtige dorpMurg.

Wales (zie de kaart bij Groot-Brittamiië), vroeger een zelfstandig prinsdom, thans met Engeland vereenigd, vormt een schiereiland, dat in het N. door de Iersche Zee, in het W. door het Kanaal van St. George en in het Z. door het Kanaal van Bristol wordt begrensd, terwijl het in het O. grenst aan de Engelsche graafschappen Cheshire, Shropshire, Hereford- en Monmouthshire. Het telt op een oppervlakte van 19 355 v. km. (1901) 1 716 423 inwoners. De kusten zijn bijna overal steil, terwijl onderschei¬

dene baaien (Carnarvon- en L.aaiganoaai m neu »., St. Bridesbaai, Milfordhaven en Swanseabaai in het Z.) het land binnen dringen. Van de talrijke kapen zijn Onne's Head, een woest kalksteengevaarte, in het N. en St. David's Head in het Z. W. de voornaamste. De Menaistraat, nauwelijks 200 m. breed, scheidt het vaste land van het eiland Anglesea. Bijna het geheele W. is bedekt met het Cambrisch Gebergte, dat in den Snowdon in het N. een hoogte van 1094 m. bereikt. Verder Z. waarts liggen de Arran Mowddwy (933 m.) en de Cader Idris (888 m.). Een inzinking scheidt N. van Z. Wales. Daarachter verheffen zich wederom bergen, zooals de Plilimmon (756 m.) aan de bron van den Severn; het hoogste punt van Z.- Wales is de Brecknock Beacon (872 m.) in het Zwarte Gebergte. De bergen van Wales zijn kaal of met gras en heide begroeid. De eenige groote vlakte is de Vale of Glamorgan aan het Kanaal van Bistol. Van de rivieren gaan de Dee, de Severn en de Wve over de grens van Engeland; de Usk en de Taf monden uit in het Kanaal van Bristol, de Towy in de Carmenthenbaai, de Teifi, de Dovey en de Mawddach in het Kanaal van St. George en de Conway en de Clwyd in de Iersche Zee. Het eenige meer van eenige beteekenis is dat van Bala. De bodem bestaat hoofdzakelijk uit Silurische en Cambrische leigesteenten, waartusschen lagen van vulkanische gesteenten. Hij is, behalve aan leigesteente, bijzonder rijk aan steenkool en verschillende metalen. De bevolking, welke over het geheel toeneemt, vermindert echter in de zuivere landbouwdistrikten. Nog ongeveer de helft bedient zich van de oorspronkelijke Kymrische of Welsche taal. Het meerendeel i&

Sluiten