Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op en Hugo von Trimberg schreef: „Herr Walther von der Vogelweide, wer des vergasz, der that' mir leide." In de 16de eeuw publiceerde Goldast verschillende gedichten van hem en in de 18de eeuw schreef Gleirn „Gedichte nach WaltheT von der Vogelweide" (1779). Voor goed werd d° aandacht weer op hem gevestigd door UhlamTs „Walther von der Vogelweide, ein altdeutscherDichter"(1822)endoor de critische uitgave van zijn werken door Lachmann (7ae druk, bewerkt door Kraus 1907).

Waltner, Charles Aïbert, een Fransch kopergraveur en etser, geboren den 24s,en Maart 1846 te Parijs, schilderde eerst onder Géróme, legde zich daarna onder Martinet en Dupont op het graveeren toe en behaalde in 1868 den Prix de Rome. Later beoefende hij met voorliefde de etskunst, o. a. naar schilderijen van Rembrandt. Zijn voornaamste werken zijn: „Portret van baron de Vicq" naar Rubens, „Zelfportret", „Portret van een rabbijn", „De Nachtwacht" en „Grijsaard" naar Rembrandt, „De graflegging" naarVanDyck, „Christus voor Pilatus" naar Munkacsy, „Mistress Graliam" naar Gainsborcmgh, „Jacob met den eng«l" naar G. Moreau en „Master Lambtons" naar Lammee.

Walnjew, Peter Alexandromtsj, graaf, een Russisch staatsman, geboren den 4aen October 1814 te Moskou, trad in 1841 in administratieven staatsdienst, werd in 1845 ambtenaar bij den gouverneur-generaal te

Riga en in 1858 gouverneur van Koerland, in 1858 directeur van een departement bij het ministerie van de Domeinen om de afschaffing van de lijfeigenschap en de brandewijnpacht voor te bereiden en in 1861 minister van

BinnenlandscheZaken.Hij voerde opheffing van de lijfeigenschap door, scheidde in 1862 het bestuur van de justitie, organiseerde in 1864 de semstwo's en vaardigde in 1865 een strenge perswet uit. In 1868 door de nationale partij van zijn post gedrongen, trad hij in 1872 op als minister der Staatsdomeinen en in 1880 als voorzitter van den ministerraad. In 1881 werd hij door de Slawofielen ten val gebracht.Daarna bleef hij staatssecretaris en lid van den Rijksraad. Van zijn hand verschenen de romans: ,,Lorin"(1881) en „De vorstin Tatjana" (1891). Het eerste gedeelte van zijn dagboek (1848—1860) verscheen in Russkaja Starina 1891. Hij overleed den li"6" Februari 1890 te St. Petersburg.

Walvischachtige Dieren (Cetacea; _ zie de plaat) is de naam van een orde van uitsluitend in de zee levende zoogdieren. Onder hen treft men de grootste thans levende dieren aan. Zij hebben een groot, spoelvormig lichaam zonder uitwendig

waarneembare geledingen; zelfs de groote kop gaat zonder duidelijke begrenzing in den romp over, welke laatste, naar achteren toe slanker wordend, eindigt in een somtijds 6 m. breede, horizontaal geplaatste staartvin. De achterste ledematen, die met uitzonderingvan de Sirenen, bij alle zoogdieren voorkomen, ontbreken geheel; de voorste zijn vinnen. Bij sommige soorten treft men aan de rugzijde een vetvin aan, welke vooral er toe bijdraagt om de gelijkenis met visschen te vergrooten. De niet door lippen begrensde mondspleet is zeer groot, de mondholte voorzien van een buitengewoon groot aantal tanden

of baleinen. De opperhuid is dun en glad en op enkele plaatsen bedekt met borstels, de lederhuid is buitengewoon dik en bevat de cellen, waartusschen de dikke speklaag zich heeft afgezet. Do beenderen bestaan uit een los, sponsachtig weefsel en zijn doordrongen met vloeibaar vet. Eigenlijke mergkanalen ontbreken. De verschillende beenderen (fig. 1) van den kop zijnzeeronregelmatigvanbouwen op vreemdsoortige wijze verschoven. De 7 halswervels gelijken met uitzondering van den eerste op dunne platte ringen en zijn dikwijls gedeeltelijk saamgegroeid. Verder hebben de walviscliachtige dieren 11—14 borstwervels, 10—24 lendewervels en 22—24 staartwervels. De echte walvisschen hebben slechts één paar ware ribben; meer dan 6 paar komen bij geen enkel lid der orde voor. Het aantal valsche ribben is altijd veel talrijker. Een eigenaardigheid van het eenige paar ledematen (de voorste) is het groote aantal leden der vingers, dat soms tot 13 kan stijgen. Hoewel de zintuigelijke organen schijnbaar zeer weinig ontwikkeld zijn (de oogen zijn klein, de ooren nauwelijks waarneembaar), is toch gebleken, dat zij zeer goed functionneeren. De reukzin en het gevoel zijn weinig ontwikkeld, terwijl de smaakzin moeilijk te beoor-

deelen valt. De longen zijn zeer groot en stellen het dier in staat tot 30 mininten onder water te blijven, ja zelfs heeft men waargenomen, dat vervolgde Ce-

Fig. 1.

Geraamte van een walvisch.

tacea langer dan 1 uur onder den waterspiegel toefden. Op het droge sterven de Cetacea spoedig, daar het uitzetten der borstkas alsdan door de lichaamszwaarte te zeer bemoeilijkt wordt.

De walvisschen bewonen voornamelijk de Noordelijke en Zuidelijke Poolzeeën; zoowel noord- als zuidwaarts strekt hun verblijf zich uit van 64°tot75°. In den regel vindt men 3 a 4 walvisschen bij elkaar; maar ook doen zij, vereenigd in troepen van meer dan 100 stuks groote tochten. De vrouwelijke walvisch werpt jaarlijks één jong, dat zij met hare melk voedt en zeer liefderijk behandelt. De walvischachtige dieren voeden zich in hoofdzaak met kleine weekdieren en vooral met copepoden. Men verdeelt ze in twee hoofdgroepen of onderorden n. 1. de Baarddragende Cetacea (Mystacoceti) en de Tanden dragende Cetacea (Odontoceti). De Mystacoceti zijn tandeloos. doch hebben in de bovenkaak en aan het ge¬

hemelte een groot aantal baleinen of baarden; de Odontoceti hebben in beide kaken, althans in één van beide, tanden, welke echter niet gewisseld worden. De Mystacoceti hebben vooral aan boven- en onderkaak enkele borstelige haren van 0,5 tot 2 c. m. lengte, de Odontoceti hebben in wolwassen toestand geen haren. Alleen de Zuid-Amerikaansclie rivierdolfijn (Inia boliviensis) maakt hierop een uitzondering.

De baarden (baleinen) van de Mystacoceti kan men vergelijken bij de dwarsgerichte plooien van de gehemelte-huid, welke vooral bij de herkauwers zeer

Sluiten