Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De Brabantsche Olijftak" en mederedacteur van „Do Koophandel". Hij overleed den 21sten Augustus 1902.

Wanmolen, Xafmolen of Waaier is een graanzuiveringswerktuig, waarmede het werk van de wan machinaal kan worden uitgevoerd. Hij bestaat uit een windkast, waarin een van eenige schoepen voorziene as met vrij groote snelheid kan worden rondgedraaid, en ten gevolge daarvan een windstroom kan worden ontwikkeld. Deze stroom blaast door het te reinigen zaad, dat van uit een boven in het werktuig geplaatste, in schuddende beweging gebrachte zeef in een dunnen, breeden straal naar beneden valt. De lichtere, kleinere en van een grooter oppervlak voorziene deelen worden door den luchtstroom in den regel tot buiten de machine meegevoerd, waar ze verzameld worden. Het zoo gereinigde zaad valt in de machine naar beneden en wordt langs een hellend vlak geleid, aan welks ondereinde het kan worden opgeschept. De mate van zuivering kan worden geregeld door versterking of verzwakking van den luchtstroom en door een meer of minder snellen toevoer van het te reinigen zaad. Versterking van den stroom kan worden verkregen door vergrooting van de omwentelingssnelheid der as met schoepen; door verruiming van de openingen in de zijden van de windkast, waar de lucht moet binnentreden; en door vernauwing van de opening, waar ze uittreedt. Bij den gecombineerden wanmolen zijn bovendien zeven in de kast aangebracht, die van uit de as der schoepen in een schuddende beweging worden gebracht. Daarmede kunnen de zaden en de verontreinigingen verder naar de grootte worden gescheiden. Het werktuig kan met de hand of door middel van motoren worden gedreven. Zie verder Graanzuiveringswerktuigen.

Want noemt men het zware touwwerk van een schip, dat de masten aan weerszijden steunt.

Wantsen (Heteroptera) is de naam van een insektengroep uit de orde der Halfvlmgeligen (Hemiptera). Zij hebben de beide paren vleugels in rust horizontaal uitgestrekt over den rug, waarbij de achtervleugels door de voorvleugels bedekt worden. De snavel zit aan het einde van den kop en is in rust meestal naar de borst gebogen. De meeste wantsen hebben, wanneer men ze aanraakt een onaangenamen reuk, en deze ontstaat door een vloeistof, welke door klieren in de borst wordt afgescheiden. De larven der wantsen vertoonen zich door het ontbreken van vleugels breeder en plomper dan de volkomen insekten en hebben gewoonlijk een andere kleur, maar volgen dezelfde levenswijs en vervellen meermalen voordat zij geschikt zijn tot voortplanting. De eieren worden aan bladeren en aan andere deelen van planten groepsgewijsvastgehecht, zijn doorgaans bolvormig, met geribde bulten, ook wel gekleurd en met een dekseltje voorzien. Men verdeelt] deze insekten in landwantsen (Geocorida) en waterwantBen (Hydrocorida). De laatste zijn over het algemeen zeer eenvormig, bewonen stilstaande wateren op de beide halfronden, vliegen des nachts en kunnen gevoelig steken. Men verdeelt ze in Rugzwemmers (Notonedici Burm), met den gewonen rugzwemmer (Notonecta glauca L.), die 1,6 cm. lang, groenachtig geel en van onder bruin is, een zwart schildje draagt en behendig op den rug kan zwemmen -— Waterschorpioenwantsen (Nepini Burm,) met de gewone zwem-

wants (Naucoris cimicoides L.), die pijnlijk steekt, en den gewonen waterschorpioen (Nepa cinerea L.), — en Walerloopers (Hydrometra), die over de oppervlakte van het water loopen zonder nat te worden. Tot de landwantsen behooren de Rooftcantsen (Redumni Burm.), die zich met andere insekten of met het bloed van menschen en dieren voeden, zooals de sierlijke oeverlooper (Salda elegantula L.), 3 mm. lang, met gele pooten en witgestippelde vóorvleugels en de vermomde wants (Reduvius personatus L.), wier larve in stoffige hoe¬

ken te vinden is, terwijl zij haar geheele lichaam in stof en vuil wikkelt. Tot de Vliesivantsen (Membranacei Latr.) behooren Tingis' affinis L., welke op graswortels leeft en zich

onderscheidt door een bruine kleur en door een stervormige vlek op eiken

voorvleugel,—de gewone .

schorswants (Aradus cor- " andluis.

ticalis L.) met een roestkleurig lichaam met gele stippen, — en de algemeen gevreesde want- of weegluis (Cimex lectularius L., Acanihis ledularia. Deze is zeer plat, 6 mm. lang, bruinachtig rood, bruin behaard, ongevleugeld en legt in Maart, Mei Juli en September telkens 60 eieren, is in 11 maanden volwassen, zuigt bloed, maar kan zeer honger lijden en wordt dan zoo doorzichtig als glas. Zij was reeds in de dagen der Oudheid bekend, vertoonde zich in de li"6 eeuw te Straatsburg en in 16de eeuw in Engeland, is tegenwoordig sterk verspreid en leeft op onderscheiden warmbloedige dieren, vooral vledermuizen en duiven. Men kan ze het gemakkelijkst verdrijven door insektenpoeder. Voorts heeft men Blindwanlsen of Graswantsen (Capsini Burm.), namelijk kleine, teedere, weekvliezige, flauw gekleurde wantsen, welke zich vooral in de weiden ophouden, zooals de tweespillige graswants of groene vlieg (Phytocoris bipunctatus), die op eenige koolsoorten leeft, de smalle graswants (P. pratensis L.) en de groene graswants (P. nasatus). Verder noemen wij: de Langwerpige wantsen (Lygaeodes Burm.), onder steenen, mos en loof levende, zooals de vleugellooze vuurwants (Pyrrhocoris apte rus L.), — de Schildwanlsen (Scutati Burm.), welke vooral in de keerkringslanden te huis behooren, — de Koolwantsen (Pentatoma oleracea L.) met een groenen of blauwen metaalglans, — de gewone Boomwants (P. rufipes L.), 10 mm. lang, van boven grijsachtig bruin en metaalglanzend en aan de onderzijde en de pooten roestrood, vooral in de berkenbooinen te vinden, ■— de Besivants (P. laccarum L.), wat grooter dan de voorgaande, van boven grijsachtig bruin met zwarte stippen en aan de onderzijde geelachtig wit en met zwarte stippen, — de getande stekelwants (Acanthosoma dentatum L.), van boven geelachtig groen met zwarte stippen en aan het bovengedeelte van den buik rood, — en de Splitsling (Aelia acuminata L.) met een zeer slank lichaam, van boven lichtgeel, met donkere stippen en drie witte overlangsloopende strepen.

Wap, JanJacobus Franciscus, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Rotterdam den lBten Mei 1800, studeerde te Leiden en te Gent in de letteren en was van 1828—1840 leeraar in de Nederlandsche

Sluiten