Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of kwartspoeder met koolzure kali, resp. koolzure natron of met een mengsel van beide samen te smelten. De gesmolten massa wordt in water uitgegoten, om haar gemakkelijker in poedervorm te kunnen brengen. Waterglas komt in vasten toestand of als een geconcentreerde oplossing met 33 of 66% kiezelzuur alkali in den handel. Daar het door het koolzuur der lucht wordt ontleed, moet het bewaard worden in gesloten flesschen. Men bezigt het in de stereochromie als bindmiddel. Verder dient het tot bereiding van kunstmatigen steen, tot het bestrijken van steenen en mortelwanden, tot het onbrandbaar maken van hout, linnen, papier enz. en als kit voor steenen, glas en porselein. Hout wordt door herhaaldelijk bestrijken met waterglas zwam- en wormvrij. Eindelijk vindt het toepassing in de katoen drukkerij, bij de bereiding van glazuren, als reinigingsmiddel van water bij de glas- en papierfabricage, als surrogaat voor zeep enz. Natron waterglas wordt in de geneeskunde als Liquor Natriisüicici gebruikt voor verbanden van beenbreuken. Waterglas werd in 1818 het eerst door Fuchs bereid.

Watergraaf was in vroegere eeuwen in sommige waterschappen van ons land, alleen belast met «le zorg voor de afwatering, de naam van den eischer of rechtsvorderaar, die vonnis vroeg aan de heemraden en voor de uitvoering daarvan zorg droeg. Hij kwam dus overeen met den dijkgraaf (schout) in andere waterschappen.

Watergraafsmeer, een gemeente in de provincie Noord-Holland 683 H. A. groot met (1910) 8098 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Amsterdam, Diemen, Ouderamstel. De oppervlakte wordt gevormd door een drooggemaakt meer, vroeger gewoonlijk Diemermeer geheeten. De bodem bestaat uit klei en laagveen. In de laatste jaren is de gemeente, vooral door de nabijheid van Amsterdam, sterk vooruitgegaan. De voornaamste bezigheden zijn warmoezerij en veeteelt. In 1629 is het Diemermeer op kosten van de stad Amsterdam droog gemaakt; het werd in 1651, na het doorbreken van de dijken, opnieuw bedekt. Bij de nadering van de Franschen in 1672 werd het tijdelijk opnieuw onder water gezet. In de 17de eeuw werden te Watergraafsmeer door vele Amsterdammers buitenverblijven aangelegd, die echter in de 18de eeuw meest alle verdwenen.

Waterhamer noemt men een glazen buis, waarin zich een weinig water bevindt. Door dit te koken, wordt de lucht en uit verdreven, waarop de buis wordt dicht gesmolten. Na afkoeling bevindt zich dan boven het water een luchtledige ruimte. Wordt nu de buis bewogen, dan slaat het water, dat niet meer door de lucht wordt tegengehouden, met een luiden slag tegen den glazen wand.

Waterhoenders (Gallinulae) is de naam van een onderfamilie der Ralachtigen (Rallidae) uit de orde der Ralvogels (Phalaridornithes). Het zijn krachtig gebouwde vogels, met middelmatig langen hals en grooten kop. De snavel is kort en kegelvormig, de pooten zijn tamelijk lang, de teenen zeer lang en met vliezige lobben bezet, de vleugels en de staart kort. De veeren zijn kort, zacht, waterdicht en meestal éénkleurig. Alle soorten van deze onderfamilie bewonen meren, welke rijk zijn aan rietachtige waterplanten, moerassen en broeklanden. Met uitzondering van de Koeten leven zij steeds in en bij zoet water. Hun nest wordt in of in de nabijheid van

het riet gebouwd. Het broedsel telt 4—12 eieren. Na den broedtijd begeven jongen en ouden zich naar gunstiger streken. Hun voedsel bestaat uit plantaardige stoffen. Vandaar dat alle soorten gemakkelijk in gevangenschap kunnen worden gehouden.

De onderfamilie der waterhoenders omvat de geslachten der Koeten (Fulica), waarvan de algemeen bekende vertegenwoordiger de Meerkoet (zie aldaar) is, der Waterhoentjes (Gallinula), waarvan in ons land het gewone Waterhoentje (zie aldaar) voorkomt en der Purperkoeten (Porphyrio), in Europa vertegenwoordigd door het Purperhoen (zie aldaar).

Waterhoentje (Gallinula chloropus), in Friesland Riethennetje genoemd, is de naam van een soort van het geslacht der Waterhoentjes. Het heeft het voorkomen van een kleine kip, met vale, bruinachtig zwarte vederen op den kop, den nek, den rug, de vleugcis en den staart, en is voor't overige leikleurig, maar onder de vleugels wit. De pooten zijn groen, de bek is groenachtig geel; bij den volwassen vogel is de voorhoofdsplaat fraai hoogrood van kleur. De geheele lengte bedraagt 31 cm. Het houdt zich bij voorkeur op in kleine vijvers met geheel of gedeeltelijk drijvende waterplanten, langs den rand begroeid met riet en zeggen, of althans door struikgewas beschut. De vogel voedt zich met waterinsekten, slakken, spruiten van waterplanten en zaden. Hij vertoeft in ons land van April tot September en broedt in Mei of Juni. Het nest rust dikwijls op het water en is altijd aan riethalmen bevestigd.

Waterhoofd (hydrocephalus) ontstaat door een ophooping van sereusch vocht binnen de schedelholte vóór of kort na de geboorte. De schedel wordt daardoor uitgezet en ontvangt den naam van waterhoofd. Die ophooping kan zoowel binnen de hersenvliezen (h. externus) als binnen de hersenkamers (h. internus) plaats hebben. Een uitwendig waterhoofd is bijna altijd aangeboren en gaat gewoonlijk met een hersenbreuk gepaard. De grootste uitstortingen in de holten komen voor bij de vrucht, soms in zoo groote hoeveelheid, dat de geboorte onmogelijk is, tenzij het vocht na doorboring van den schedel wegvloeit. Holten, die in gezonden toestand een zeer geringe hoeveelheid vocht bevatten, zijn tot groote zakken uitgezet en de wanden dientengevolge zeer dun geworden. De kronkelingen der groote hersenen zijn nauwelijks zichtbaar, zoodat de oppervlakte glad is. De herzenvliezen zijn zeer fijn en dun. De verbeening der schedelbeenderen blijft zeer achterlijk, de naden worden meer dan een vinger breed en de groote fontanel krijgt een dwarse doorsnede van aanmerkelijke lengte en een grootere welving en vochtgolving. De slaapbeenderen, bij een gezond kind loodrecht afdalende, zijn bij een waterhoofd naar buiten gekeerd en de bovenwand van den oogkuil wordt plat, zoodat de oogappels uitpuilen. Het aangezicht vertoont zich bij die verhouding ongemeen klein, mager en spits. De geestvermogens kunnen daarbij lang in een behoorlijken toestand blijven, doch in vele gevallen ontstaat stompzinnigheid. Van de zintuigen verdwijnt het eerst het gezicht. Het aangeboren groote waterhoofd heeft spoedig een doodelijken afloop, terwijl later ontstane, matige uitstortingen jaren lang worden verdragen. Zie ook Hersenziekten.

Waterhoos. Zie Hoos.

Waterhoase, Alfred, een Engelsche archi-

Sluiten