Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrije val daarvan heeft niet plaats; richt- en looprad zijn geheel met water gevuld. Het looprad van deze turbine is afgebeeld in figuur 10. Actieturbinen zijn geschikt voor groote valhoogten bij veranderlijken watertoevoer en standvastig peil van het benedenwater. Reactieturbinen vinden toepassing in gevallen van standvastigen watertoevoer en sterke veranderingen van het peil van het benedenwater. Het aantal omwentelingen is groot, dat van actieturbinen klein. Is de valhoogte grooter dan 10 m., dan kan de reactieturbine van Francis, waarop de afbeeldingen 9 en 10 betrekking hebben, omgebouwd worden in een spiraalturbine met verticaal looprad (fig. 11). Zij is vooral geschikt voor rechtstreeksche koppeling op een dynamo.

Waterraderen kunnen toepassing vinden bij valhoogten tot 10 m., turbinen bij valhoogten van 0,3 —50 m. Tusschen 6 en 10 m. overtreffen bovenslagraderen de turbinen in nuttig effect; bij gemiddelde en vooral bij kleine valhoogten verdient de turbine de voorkeur. Het theoretisch arbeidsvermogen bedraagt voor beide 1000 P.K., waarin Q de

hoeveelheid water, die per seconde door den inlaat naar het rad stroomt en H. de valhoogte voorstelt. De praktische waarde wordt verkregen, door de theoretische met het nuttig effect te vermenigvuldigen. Daar het nuttig effect van een goede turbine ligt tusschen 0,7 en 0,8, overtreft zij de stoommachine en den gasmotor, wier nuttig effect resp. 0,12 en 0,20 bedraagt. Ook het gewone waterrad met een nuttig effect van 0,3—0,8 overtreft deze. Tot de klasse der turbinen behoort ook het Peltcmrad (fig. 12), «en rad met eigenaardig gevormde schoepen aan den omtrek, waartegen op de laagste plaats een waterstraal geleid wordt. De schoepen verdeelen den straal door middel van een scherpe middelribbe en doen de beide helften nagenoeg van richting omkeeren (fig. 13). Het Peltonrad, dat voor alle valhoogten grooter dan 3 m. toepassing kan vinden, heeft het buitengewoon groote nuttig effect van 0,86. Het vindt o. a. toepassing bij de Niagarawatervallen, waaraan in het geheel 600 000 P. K. worden onttrokken.

Waterraderen waren reeds bij de oude Indiërs, Egyptenaren, Assyriërs en Chineezen bekend. De nauwkeurige beschrijving van een watermolen uit het begin van onze jaartelling gaf Vitruvius. In de 4de eeuw vonden de onderslagraderen ingang in Europa. Het bovenslagrad is wellicht in Duitschland uitgevonden. Nadat D. Bernoulli in 1730 de reactiewerking van water had aangetoond, construeerde Segner zijn reactierad,waarvan Euler in 1760 de theorie opstelde. Burdin noemde het horizontale rad, dat hij in 1824 uitvond, turbine. Fourneyron behaalde in 1833 den prijs, door de „Société d' enconragement" voor de constructie van een turbine in 1824 uitgeschreven; Poncelet formuleerde in 1839 haar theorie. De eerste reactieturbine werd in 1841 door Henschel gebouwd. De theorie der actieturbine stelde Girard op. Het Peltonrad werd geconstrueerd door de Pelton Water Wheel Co te San Francisco.

Waterrat (Arvicola [Paludicola] amphibus Desm.), een soort van het geslacht der eigenlijke woelmuizen (Arvicola) uit de familie der woelmuizen (Arvicolidae), niet te verwarren met de bruine rat, welke ook soms waterrat wordt genoemd, leeft niet uitsluitend in het water of in drassige streken.

Haar verspreidingsgebied strekt zich uit van den Atlantischen Oceaan tot de Zee van Ochotsk en van de Noordkaap en de Witte zee tot het Z. van Italië, Dalmatië en den Kaukasus. De waterrat is 21—24 cm. lang, waarvan 6,6—8,5 cm. op den staart komen. De kop is kort, de beharing, van boven eenkleurig bruinzwart of grijsbruin, wordt aan de onderzijde langzamerhand lichter. Naar de kleur onderscheidt men drie typen: de eigenlijke waterrat, de Italiaansche wolrat en de mohnuis of aardwolf. De laatste komt bij ons te lande voor in sommige gemeenten van het graafschap Zutfen, waar zij ook vreetwolf genoemd wordt. De waterrat is één van de schadelijkste knaagdieren. Zij leeft van wortelen, graan, groenten en ooft, maar eet ook insecten, kikvorschen, eieren enz. Voor den winter verzamelt zij in voorraadkamers erwten, boonen, aardappels, uien, enz. Aan het water doorwoelt zij de dijken» Het wijfje werpt 3—4 maal per jaar in een ondergrondsch nest 2—7 jongen.

Waterrecht omvat al de wettelijke bepalingen, welke langzamerhand met het oog op de voortdurende beveiliging van den bodem tegen overstrooming zijn ontstaan. Eenerzijds omvat het de voorschriften omtrent het gebruik van het water, anderzijds die omtrent het tegengaan van overlast door het water. Het behoort, voor zoover het betrekking heeft op de beperkingen en verplichtingen, welke aan de afzonderlijke individuen in het belang van de gemeenschap worden opgelegd, tot het publiekrecht; waar het echter handelt over de rechten van afzonderlijke personen op waterloopen is het van privaatrechtelijken aard. De aan het Romeinsche recht ontleende grondstelling, dat het water in zijn natuurlijken loop niemands eigendom is, wordt algemeen aanvaard. Ook de zee is, afgezien van de kustwateren, onttrokken aan het privaatbezit. Zij kan een voorwerp van volksrechtelijke verdragen, maar niet van staatkundige bestuursmaatregelen zijn. Stilstaande wateren, zooals vijvers, putten enz. zijn het eigendom van de omliggende grondbezitters. Geschillen erover vallen onder de bepalingen van het privaatrecht. Hetzelfde geldt in den regel ook van de kunstmatige stroomende wateren, zooals kanalen, molentochten enz. Zij zijn het eigendom van hem, die ze heeft aangelegd of naderhand als bezitting heeft verworven/Van de natuurlijke stroomende wateren behooren de bron» nen in eigendom aan den grondbezitter op wiens gebied zij zich bevinden. De rivieren worden daarentegen in openbare en particuliere verdeeld. Naast de genoemde onderwerpen maken ook de voorschriften nopens de bewatering en ontwatering van gronden, evenals het dijk- en verlaatrecht, deel uit van het waterrecht.

De uitoefening van het waterrecht geschiedt deels vanwege rijksbestuursorganen (rijkswaterstaat), deels door corporatief georganiseerde vereenigingen vanbelanghebbendegrondbezitters(waterscliappen). Naar den inhoud hebben de bestuursvoorschriften, door deze organen uitgevaardigd, betrekking op de bescherming tegen overlast: onderhoud van waterloopen, oeverversterking, vaststellen van het peil, en op het gebruik als voedings-, reinigings- en bewegingsmiddel.

Ieder grondbezitter kan op zijn grond bevloeiin; gen en ontwateringen aanleggen. De aangrenzende bezitters zijn echter van rechtswege alleen verplicht

Sluiten