Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poneerde er o. a. de muziek voor „Leier undSchwert" van Körner, welk werk den grond legde voor zijn populariteit. Oneenigheden noodzaakten hem intusschen, in 1816 uit Praag te vertrekken. Daarop ondernam hij nogmaals een kunstreis, en gedurende zijn verblijf te Berlijn werden de onderhandelingen ten einde gebracht, na welke hij tot stichting van een Duitsche opera naar Dresden werd geroepen. Den I8dc" Januari 1817 aanvaardde hij zijn nieuwe betrekking, volbracht op een schitterende wijze de taak, die hem door de tegenpartij der Italiaan sche opera, aan wier hoofd zich de kapelmeester Morlacchi, Polledro en de componist Schubert bevonden, hoogst moeielijk werd gemaakt, zonder evenwel aldaar dien bijval te vinden, welke hem op andere plaatsen was ten deel gevallen. Den 14den November van dat jaar trad hij in het huwelijk met de operazangeres Karoline Brandt, welke hij reeds in Praag had leeren kennen. In dezen tijd valt het schitterendste tijdperk van zijn kunstenaarsloopbaan. In 1818 werd de „Jubelouverture" voor de eerste maal opgevoerd, den 14den Maart 1821 te Berlijn de ,,Preciosa" en 18den Juni daaraanvolgende de „Freischütz". Daarop volgden den 258ten October 1823 de voor Weenen gecomponeerde opera „Euryanthe" en den 12dcn April 1826 te Londen de opera „Oberon".

Hoewel Weber, die sedert jaren aan longtering leed, zich zeer ziek gevoelde, reisde hij toch naar Londen. Het Engelsche klimaat en de groote vermoeienissen hadden een zeer nadeeligen invloed op zijn gezondheid, en zijn krachten verminderden zóó snel, dat hij den 5den Juni 1826 overleed. Een in 1821 begonnen opera „Die drei Pintos" bleef onvoltooid; in 1888 werd zij, omgewerkt en voltooid door Mahler, met een nieuwen tekst van Webers kleinzoon, te Leipzig opgevoerd, waar ook zijn „Sylvana" in een nieuwe bewerking in 1885 was opgevoerd. Het stoffelijk overschot van Weber werd aanvankelijk bijgezet in Moorfieldskapel te Londen, maar in 1844 naar Dresden overgebracht, waar in 1860 op het Schouwburgplein een gedenkteeken (van Rietschei) te zijner eere verrees.

^ De muziek van Weber is echte Duitsche volksmuziek. Hij wist de juiste muzikale uitdrukking te vinden voor de in dien tijd bloeiende romantische dichtkunst en gebruikte de instrumentale begeleiding voor het eerst als een zeer belangrijk, expressief element, dat later in de muziek van Wagner en in de programmamuziek zijn hoogtepunt zou bereiken. Niet alleen op het gebied der opera's en der orkestmuziek, maar ook op dat van het lied en van de kamermuziek heeft hij veel voortreffelijks geleverd. Ook op letterkundg gebied is hij herhaaldelijk werkzaam geweest. Zijn verzamelde geschriften zijn in 1828 door Theodor Heil in het licht gegeven; later werden zij herdrukt in de biografie, door zijn zoon Max Maria von Weber over hem geschreven (3 dln., 1864—1866). Zijn kleinzoon Karl von Weber gaf: „Reisebriefe von Karl Maria von Weber au seine Gattin Carolina" (1886) uit, Rudor fj „Webers Briefe an Hinrich Lichtenstein" (1900). Het uitvoerigste werk over Weber werd geschreven door Jahns (Berlijn, 1871).

Weber, Max Maria von, een Duitsch werktuigkundige, een zoon van den voorgaande, geboren te Dresden den 25sten April 1822, ontving zijn opleiding aan de polytechnische school aldaar en trad

in 1850 in Saksischen staatsdienst. Eerst was hij directeur der telegrafie en werd in 1852 technisch lid van het staatsspoorwegbestuur en daarna raad van Financiën bij de algemeene directie der staatsspoorwegen. Onder Von Beust werd hij naar Weenen ontboden en aldaar als technisch adviseur toegevoegd aan het ministerie van Handel en Nijverheid. Tot 1875 had hij veel invloed op de organisatie van het Oostenrijksche spoorwegwezen. In dat jaar nam hij zijn ontslag, omdat zijn meening afweek van die van de leden van het ministerie. Hij werd in 1878 bij het Pruisisch ministerie van Koophandel geplaatst. Hij overleed te Berlijn den 18den April 188L Van zijn geschriften vermelden wij: „Technik des Eisenbahnbetriebs" (1854), „Schule des Eisenbahnwesens" (1875), „Telegraphen und Signalwesen der Eisenbahnen" (1867), „Stabilitat des Gefüges der Eisenbahngeleise" (1869), „Portfolio John Cockerills (1855), „Die Praxis des Baues und Betriebs der Sekundarbahnen mit normaler und schmaler Spur" (2de druk, 1873), „Populare Erörterungen von Eisenbahn-Zeitfragen" (7stukken, 1876—1877), „Nationaliteit und Eisenbahnpolitik" (1876), „Der staatliche Einflusz auf die Entwickelung der Eisenbahnen minderer Ordnung" (1878), „Ausflug nach dem französischen Nordafrika" (1855), „Algerien und die Auswanderung dahin" (1854), „Aus der Welt der Arbeit" (1868), „Rolands Gralfahrt" (1854) en „Karl Maria von Weber, ein Lebensbild" (3 dln., 1864—1866). Na zijn dood gaf Jahns uit: „Vom rollenden Flügelrad". Zijn verzamelde geschriften gaf zijn dochter Maria von Wildenbruck uit onder den titel „Aus der Welt der Arbeit" (1907).

Weber, Ernst Heinrich, een Duitsch ontleedkundige en physioloog, geboren den 24eten Juni 1795 te Wittenberg, studeerde aldaar en te Leipzig in de geneeskunde en werd hier in 1818 hoogleeraar in de vergelijkende anatomie en in 1821 in die van het menschelijk lichaam, in 1840 ook in de physiologie. Hij deed belangrijke physiologische onderzoeken en publiceerde de resultaten daarvan in een groot aantal werken, waarvan wij noemen: „Anatomia comparata nervi symphatici" (1817), „De aure et auditu hominis et animalium" (1820), „Tractatus de motu iridis" (1821), „Zusatze zur Lehre vom Bau und von der Verrichtung der Geschlechtsorgane" (1826), „Die Lehre vom Tastsinn und Gemeingefühl" (1851) en „,Annotationes anatomicae et physiologicae" (1851). Eenige ontleedkundige handboeken verkregen door zijn omwerking een hooge waarde.„Die Wellenlehre" was het resultaat van waarnemingen, door hem gedaan met zijn broeders Wilhelm en Eduard. Hij overleed te Leipzig den 26stcn Januari 1878.

Weber, Wilhelm Eduard, een Duitsch natuurkundige, een broeder van den voorgaande, geboren te Wittenberg den 24stenOctober 1804, studeerde te Halle in de natuurkunde, vestigde zich in 1827 aldaar als privaatdocent, verkreeg er in het volgende jaar een buitengewoon professoraat en werd in 1831 professor in de natuurkunde te Göttingen. Wegens zijn protest tegen de opheffing der grondwet van 1837 werd hij afgezet en woonde daarna gedurende eenigen tijd ambteloos te Göttingen of begaf zich op reis. Hij aanvaardde in 1843 een hoogleeraarsambt te Leipzig en keerde in 1849 tot zijn voormalig ambt te Göttingen terug. Weber was nog student,

Sluiten