Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schlosser" (1876), „Mein Leben und Bildungsgang" (1883), „Heidelberger Erinnerungen" (1886) en „Jugendeindrücke und Erlebnisse" (1887). Hij overleed den 10den Augustus 1888 te Neuenheim bij Heidelberg.

Weber, Friedrich Wilhelm, een Duitsch dichter, geboren den 2681™ December 1813 te Alhausen in Westfalen, studeerde te Greifswald en te Breslau eerst in de letteren, vervolgens in de geneeskunde, volbracht uitgestrekte reizen in Duitschland, Frankrijk en Italië, vestigde zich in 1841 in Driburg en in 1856 als badarts te Bad Lippspringe. Sedert 1876 echter woonde hij te Thienhausen bij Steinheim in Westfalen en vestigde zich in 1887 te Nieheim in het distrikt Höxter. Hij overleed aldaar den 5den April 1894. Behalve vele vertalingen van Engelsche en Zweedsche gedichten schreef hij het epos: „Dreizehnlinden" (1878, 133ste druk, 1906; geillustreerde prachtuitgave, 1896), een werk, even voortreffelijk van inhoud als van vorm, een bundel „Gedichte"(1881, 30ste druk 1907), verder „Marienblumen" (1885, 4de druk, 1905) en het Noorsche epos „Goliath" (1892, 28ste druk, 1906). Uit zijn werken spreekt een diep godsdienstig gevoel. Hij was echter geen partijdichter, zooals de Ultramontanen het dikwijls deden voorkomen. Sedert 1861 behoorde Weber, als lid van het centrum, tot het Pruisische Huis van Afgevaardigden. Na zijn dood werd de dichtbundel: „Herbstblatter" (1895, 16de druk, 1906) uitgegeven.

Weber, Albrecht, een Duitsch taalgeleerde, geboren te Breslau den 17den Februari 1825, deed in 1846 een wetenschappelijke reis naar Engeland en Parijs, vestigde zich in 1848 als privaat-docent aan de universiteit te Berlijn, werd in 1856 buitengewoon en in 1867 gewoon hoogleeraar in de Oud-Indische taal en letterkunde aldaar. In 1857 werd hij lid van de Academie te Berlijn. Een aantal werken in het Sanskriet zijn voor het eerst doorhem kritisch uitgegeven. Hiertoe behooren in de eerste plaats de uitgaven van de „Witte Jadsjoerveda" (3 dln., 1852— 1859) en van de „Taittirija SamhitS" (dl. 11 en 12 van de „Indische Studiën", 1871—1872). Zijn „Indische Literaturgeschichte"(1852, 2de vermeerderde druk, 1876) is een belangrijke handleiding. Zijn kleinere meest kritische werken zijn gedeeltelijk verzameld in „Indische Skizzen" (1857) en „Indische Streifen" (3 dln., 1868—1879). Sedert 1850 gaf hij, ondersteund door de „Deutsche Morgenlandische Gesellschaft" de „Indische Studiën" uit, waartoe, behalve de reeds genoemde „Taitterïja Samhita", o. a. verhandelingen over „Die Kastenverhaltnisse in den Brahmana und Sütra", over het „Vedische Opferritual", over de Upanisjads enz. behooren. Als verhandeling van de Academie verscheen o. a. „Ueber ein Fragment der Bhagavati" (1866—1867), „Ueber die Nakshatras"en„Ueber das Entstehen des R&mSjana" (1870). Van zijn overige werken noemen wij nog: „Sapta^atakam des 112,1a" (187b, volledige uitgave, 1881) en „Verzeichnis der Berliner Sanskrithandschriften" (dl. 1, 1853; dl. 2, 1886—1892). Voor het groote te Petersburg verschijnend Sanskrietwoordenboek leverde hij belangrijke bijdragen. Hij overleed te Berlijn den 30Bten November 1901.

Weber, Theodor, de tweede bisschop der OudRoomschen in Duitschland, geboren den 28Bten Januari 1836 te Zülpich, werd in 1860 te Breslau tot priester gewijd, in 1862 kapelaan en was daarna

godsdienstonderwijzer aan het gymnasium te Sagan, later aan het Matthiasgymnasium te Breslau. Aanhanger van Anton Günther, vestigde hij zich hier in 1868 als privaatdocent in de wijsbegeerte. In 1872 volgde zijn benoeming tot buitengewoon, in 1878 tot gewoon hoogleeraar. Met Reinkens en Baltzer had hij zich in 1870 verzet tegen de besluiten van het Vaticaansch Concilie. Spoedig daarop wijdde hij zich geheel aan de Oud-Roomsche beweging. In 1890 vestigde hij zich te Bonn, waar Reinkens hem benoemde tot zijn vicaris-generaal; in 1896 volgde hij dezen op als bisschop. Van zijn werken noemen wij: „Kants Dualismus von Geist und Natur und der des positiven Christentums" (1866), „Der Ge horsam in der Gesellschaft Jesu" (1872), „Die Geschichte der neuern Philosophie und der Metaphysik" (3 stukken, 1873), „Staat und Kirche nach der Zeichnung und Absicht des Ultramontanismus" (2de druk, 1875), „Zur Kritik der Kantischen Erkenntnistheorie" (1882), „Emil Du Bois-Reymond. Eine Kritik seiner Weltansicht" (1885), „Stöckls Geschichte der neuern Philosophie Ein Beitrag zur Beurteilung des Ultramontanismus" (1886), „Metaphysik. Eine wissenschaftliche Begründung der Ontologie des positiven Christentums" (2 dln., 1888 —1891), „Trinitat und Weltschöpfung" (1904).

Weber, dr. Max Wilhem Carl, een zoöloog, in 1852 geboren te Bonn, studeerde te Bonn en te Berlijn en promoveerde in 1877 op een proefschrift getiteld: „Die Nebenorgane der einheimischen Lacertidae." Nadat hij in 1878 tot arts bevorderd was, werd hij in 1879 prosector bij de universiteit van Amsterdam, in 1880 lector aan de universiteit te Utrecht, in 1883 buitengewoon, in 1884 gewoon en in 1898 andermaal buitengewoon hoogleeraar aan de universiteit van Amsterdam. In 1881 nam hij als geneeskundige en zoöloog deel aan den tocht van de „Willem Barents" naar de noordelijke IJszee, in 1888 deed hij een reis naar Nederlandsch OostIndië, in 1894 naar ZuidAfrika en van 1899 tot 1900 was hij de leider der Siboga-Expeditie in de wateren van Insulinde. Zijn voornaamste geschriften zijn „Ethnographische Notizen über Flores und Celebes" (Supplement zu Bd. II vom „Intemationales Archiv für Ethnographie", 1890) en „Zoölogische Ergbenisse einer Reise in Niederlandsch-Indien" (1891—1894, 3 dln).

Websky, Martin, een Duitsch mineraloog, geboren den 17den Juli 1824 te Wüstegiersdorf in Silezië, wijdde zich aan den mijnbouw, studeerde sedert 1846 te Berlijn, Freiberg en Bonn, was vervolgens te Reichenstein werkzaam, werd in 1850 referendaris, in 1853 mijnbouwmeester en leeraar te Tarnowitz, in 1856 assessor en in 1861 opperbergraad te Breslau. Hij werd er vervolgens privaatdocent, kort daarna buitengewoon hoogleeraar en in 1874 gewoon hoogleeraar te Berlijn, in 1875 lid der Academie van Wetenschappen, in 1885 geheim bergraad en overleed den 278ten November 1886. Behalve een groot aantal opstellen van kleineren omvang schreef hij: „Die Mineralspezies nach den für das spezifische Gewicht derselben angenommenen und gefundenen Werten" (1868) en „Anweridung der Linearprojektion zum Berechnen der Kristalle" (3de deel van Roses „Elemente der Kristallographie", 1887). Vooral ook heeft hij zich verdienstelijk gemaakt door de rangschikking der mineralen in het kabinet te'Berlijn.

Sluiten