Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Graz en te Leipzig en was daarna achtereenvolgens kapelmeester te Koningsbergen, Danzig, Hamburg, Frankfort a. d. Main en Mannheim, werd in 1891 eerste hofkapelmeester te Berlijn, in 1898 kapelmeester van het Kaim-orchest te München en in 1907 directeur van de hofopera te Weenen. Hij nam in 1911 zijn ontslag en werd in hetzelfde jaar benoemd tot eersten dirigent en muzikaal adviseur van de Hamburger opera. Hij componeerde de opera's: „Sakuntala" (1884), „Malawika" (1886) en „Genesius" (1892), de trilogie „Oresteia" („Agamemnon", „Das Totenopfer", „Erinnyen"), een ouverture voor „König Lear", een symfonisch gedicht „Das Gefilde der Seligen", benevens een serenade voor strijkorchest, 2 symfonieën en 2 strijkquartetten. eenige klavierstukken en talrijke liederen. Verder publiceerde hij: „Die Lehre von der Wiedergeburt und das musikalische Drama, nebst dem Entwurf eines Mvsteriums „Die Erlösung" (1895), „Über das Dirigiéren" (3de druk, 1905), „Bayreuth 1876 bis 1896" (2de druk, 1904), „Die Symphonie nach Beethoven" (2de druk, 1901), „Rathschlage für Aufführungen der Symphonien Beethovens" (1906) en „Musikalische Walpurgisnacht, ein Scherzspiel" (1907).

Weinholt, Karl, een Duitsch beoefenaar der Germaansche taal en letterkunde, geboren den 268ten October 1823 te Reichenbach in Silezië, studeerde te Breslau en te Berlijn in de godgeleerdheid en letteren, vestigde zich in 1847 als privaatdocent te Hall% werd in 1849 buitengewoon hoogleeraar in de Duitsche taal en letterkunde te Breslau, in 1850 gewoon hoogleeraar te Krakau, in 1851 te Graz, in 1861 te Kiel, in 1876 te Breslau en in 1889 te Berlijn, waar hij ook tot lid van de Academie van Wetenschappen werd benoemd. Hij overleed den 15den Augustus 1901 te Berlijn. Van zijn cultuurhistorische geschriften vermelden wij: „Die deutschen Frauen im Mittelalter"(1851, 3de druk, 2 dln., 1897), „Altnordisches Leben" (1856), „Die Reisen des germanischen Mythus" (1858), „Die heidnische Toten bestattung in Deutschland" (1859) en „Die Polargegenden Europa's nach den Vorstellungen des deutschen Mittelalters" (1871), van zijn mythologische geschriften: „Die Sagen von Loki" (1848), „Die Riesen des germanischen Mythus" (1858), „Uber den Mythus vom Wanenkrieg" (1890), „Glücksrad und Lebensrad" (1892) en „Zur Geschichte des heidnischen Ritus" (1896); op litterair-historisch gebied schreef hij: „Weihnachtsspiele und Iieder in Süddeutschland und Schlesien (1853, 2de druk, 1875) en „H. Christ. Boie" (1868), terwijl hij de dramatische nalatenschap van Lenz (1884) en diens gedichten (1891) uitgaf. Van zijn taalkundige werken noemen wij: „Über deutsche Rechtschreibung" (1852), „Uber deutsche Dialektforschung" (1853), „Beitrage zu einem schlesischen Wörterbuch" (1854), „Alemannische Grammatik (1863), „Bavrische Grammatik" (1867), „Die gotische Sprache im Dienste des Christentums" (1870), „Mittelhochdeutsches Lesebuch" (1850), „Mittelhochdeutsche Grammatik" (1877), „Kleine mittelhochdeutsche Grammatik" (1881) en „Verbreitung und Herkunft der Deutschen in Schlesien" (1887). Verder gaf hij eenige Oud-Hoogduitsche teksten uit. Sedert 1891 was hij redacteur van het „Zeitschrift des Vereins für Volkskunde."

Weinsberg-, een stadje in bet Württemberg-

sche Neckardistrikt, ligt aan de Sulm en aan den spoorweg van Heilbronn naar Krailsheim, 203 m. boven den zeespiegel, bezit een rechtbank, een oude Romaansche kerk, standbeelden van Okölampadius en Justinus Kerner, een wijnbouwschool, een \ereeniging van wijngaardeniers, veel wijn- en ooftbouw en (1905) 3097 inwoners. Het is bekend wegens de bouwvallen van het kasteel Weibertreue, zich verheffend op een berg, aan wiens voet zich het voormalig woonhuis van den dichter Justinus Kerner bevindt, dat in 1907 door de Kernervereeniging aangekocht werd. Het kasteel is zoo genoemd ter gedachtenis van een sage, door Chamisso in een ballade verheerlijkt. Bij Weinsberg versloegen den 218ten December 1140 koning Koenraad 111 graaf Welf VI, den broeder van Hendrik den Trotsche van Beieren, waarna do stad zich weldra moest overgeven. Volgens de sage, die echter ook aan een aantal andere steden verbonden is, schonk de koning aan de vrouwen van Weinsberg het leven en veroorloofde haar tevens, zooveel mede te nemen als zij konden dragen. De vrouwen namen nu haar mannen op den rug en droegen ze weg, wat door den koning niet belet werd. Men vindt in de kerk een voorstelling van deze gebeurtenis. De bouwvallen werden in 1824 door koning Wilhelm, aangekocht en aan de vrouwenvereeniging, die in 1823 op aansporing van Justinus Kerner was gesticht, ten geschenke gegeven. Gedurende den Boerenoorlog (1525) werden er de graaf von Helfenstein en vele andere edelen door de boeren gedood, den 21Bten Mei daaraanvolgende werd de stad door den truchsesz von Waldburg aan de vlammen prijs gegeven.

Weisbach, Julius, een Duitsch wiskundige, geboren den 10d<m Augustus 1806 te Mittelschmiedeberg bij Annaberg, studeerde te Freiburg, Göttingen en Weenen, reisde daarop in de Oostenrijksche mijndistrikten, aanvaardde in 1833 de betrekking van hoogleeraar in de toegepaste wiskunde te Freiburg en overleed den 24sten Februari 1871. Van zijn geschriften vermelden wij: „Handbuch der Bergmaschinenmechanik" (2 dln., 1835—1836), „Experimentaihydraulik" (1855), „Lehrbuch der Ingenieur- und Maschinenmechanik" (3 dln., 1845 —1860), „Der Ingenieur" (1846, 7de druk, van Reuleaux, 1896), „Die neue Markscheidekunst" (2 dln., 1851—1859) en „Anleitung zum axonometrischen Zeichnen" (1867).

Weisbach, Albin, een Duitsch delfstofkundige, een zoon van den voorgaande, geboren den 6den December 1833 te Freiburg in Saksen, studeerde aan de mijn-academie aldaar en aan de universiteiten te Leipzig, Berlijn, Göttingen en Heidelberg en promoveerde aan de universiteit in laatstgenoemde stad. In 1857 werd hij leeraar in de mineralogie te Freiburg, vestigde zich hier tevens als privaatdocent en werd er in 1863 hoogleeraar in de natuurkunde, in 1866 in de delfstofkunde. Behalve talrijke verhandelingen in Poggendorffs „Annalen" en in het „Jahrbuch für Mineralogie" schreef hij: „Über die Monstrositaten tesseral kristallisierender Mineralien" (1858), „Tabellen zur Bestimmung der Mineralien" (1866, 7de druk van Kolbeek, 1906), „Synopsis mineralogica" (1875, 4de druk van Kolbeek, 1906) en „Characteres mineralogici" (1880).

Weise, Christian, een Duitsch dichter, geboren den 30sleu April 1642 te Zittau, studeerde te Leipzig, hield een tijdlang als magister voorlezingen

Sluiten