Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Monumentaal Nederland" (1910). Bovendien werkte hij mede aan het standaardwerk: „Amsterdam in de XVIIde eeuw" (1904).

Weisz, Christiaan Samuel, een Duitsch delfstofkundige, geboren den 26sten Februari 1780 te Leipzig, studeerde aldaar, te Berlijn en te Freiberg, vestigde zich in 1803 als privaatdocent te Leipzig, werd in 1808 gewoon hoogleeraar in de natuurkunde aldaar, in 1810 in de delfstofkunde te Berlijn en overleed te Eger den l8ten October 1856. Hij bracht het wiskundig gedeelte der mineralogie door een natuurlijke methode tot een hoogen trap van volkomenheid en was de eerste, die in een verhandeling: „Über die natürlichen Abteilungen der Kristallisationssysteme" (1813) zulk een verdeeling tot grondslag legde voor de wetenschap der kristallografie. Zijn terminologie voor de kristalvormen is ook nu nog bij velen in gebruik en kan gemakkelijk op de methode van Naumann en Miller worden toegepast.

Weisz, Johann Baptist von, een Duitsch geschiedkundige, geboren den 17dcn Juli 1820 te Ettenheim in Baden, werd na het voleindigen zijner studiën in 1851 docent aan de universiteit te Freiburg, kwam door zijn optreden voor den aartsbisschop tijdens den Freiburger kerkelijken strijd iri conflict met de regeering te Baden en werd tot gevangenisstraf veroordeeld. In 1853 werd hij hoogleeraar te Graz. Hij werd aldaar in den adelstand verheven en tot levenslang lid van het Heerenhuis benoemd. Hij overleed den 8sten Maart 1899. Van zijn werken noemen wij: „Lehrbuch der Weltgeschichte" (3 dln., 1859—1868, 5de druk van Vockenhuber, 20 dln., 1901—1903), „Geschichte Alfreds des Groszen" (1859), „Maria Theresia und der österreichische Erbfolgekrieg" (1863).

Weisz, Hermann Karl Jacob, een Duitsch schilder en schrijver over kunst, geboren te Hamburg den 22sten April 1822, ontving zijn opleiding te Berlijn, bezocht het atelier van professor Otto, begaf zich in 1843 naar Düsseldorf om er de schilderacademie te bezoeken en keerde in 1850 terug naar Berlijn. Hij schreef:, „Kostümkunde. Geschichte der Tracht und des Gerats (3 dln., 1872). Van 1854—1884 was hij leeraar aan de Academie van Schoone Kunsten te Berlijn, in 1879 werd hij directeur van de verzamelingen van het tuighuis en in 1883 geheim regeeringsraad. Hij nam in 1895 zijn ontslag en overleed den 21sten April 1897 te Berlijn.

Weisz, Bernhard, een Duitsch Protestantsch godgeleerde, geboren te Koningsbergen den 208ten Juni 1827, studeerde aldaar te Halle en te Berlijn, vestigde zich te Koningsbergen als privaatdocent, werd er in 1857 buitengewoon hoogleeraar, in 1863 gewoon hoogleeraar te Kiel en in 1877 te Berlijn. In 1907 trok hij zich als Werkelijk Geheimraad uit het openbare leven terug. Hij was van 1874—1§77 lid van het consistorie te Kiel en werd dit ook in 1879 te Berlijn. Verder werd hij in 1880 „Oberkonsistorialrat", was van 1880—1890 voordragende raad in het ministerie van Eeredienst en van 1886— 1896 president van het centrale comité voor de inwendige zending. Van zijn werken noemen wij: „Der petrinische Lehrbegriff" (1885), „Der Philipperbrief" (1859), „Der johannische Lehrbegriff" (1862), „Lehrbuch der biblischen Theologie" (1868, 7de druk, 1903), „Das Markus Evangelium" (1872), „Das Matthaeus Evangelium" (1876), „Das

Leben Jesu" (2 dln., 1882) en „Lehrbuch der Einleitung ins Neue Testament" (1886). Verder bewerkte hij een aantal deelen van Meyers „Kritisch exegetischer Kommentar über das Neue Testament" en schreef een groot aantal kritische onderzoekingen over verschillende gedeelten van den Bijbel, bijv. over de Openbaring van Johannes, de Handelingen van de Apostelen, de Brieven van Paulus, de vier Evangeliën enz.

Weisz, Johannes, een Duitsch Protestantsch godgeleerde, een zoon van den vorige, geboren den 13den December 1863 te Kiel, vestigde zich in 1888 als privaatdocent te Göttingen, werd in 1890 aldaar buitengewoon, in 1895 te Marburg en in 1908 te Heidelberg gewoon hoogleeraar. Van zijn hand verschenen: „Der Barnabasbrief, kritisch untersucht" (1888), „Die Predigt Jesu vom Reiche Gottes" (2de druk, 1900), „Der Frauenberuf" (1892), „Die Nachfolge Christi und die Predigt der Gegenwart" (1895), „Über die Absicht und den literarischen Charakter der Apostelgeschichte" (1897), „Die Idee des Reiches Gottes in der Theologie" (1900), „Die christliche Freiheit nach der Verkiindigung des Apostels Paulus" (1902), „Über die Kraft. Björnsons Drama und das religiöse Problem" (1902), „Das alteste Evangelium" (1903) en „Die Offenbarung des Johannes" (1904). Met zijn vader, Bernard Weisz bewerkte hij den 8sten druk van het commentaar op het Lucasevangelie in de uitgaven van Meyer (1892), met Baurngarten en anderen gaf hij „Die Schriften des Neuen Testaments, neu übersetzt und für die Gegenwart erklart" (2de druk, 2 dln., 1907) uit.

Weisz, Jean Jacques, een Fransch journalist, geboren te Bayonne den 19den November 1827, bezocht te Parijs het collége Louis le Grand en de Ecole normale en werd vervolgens leeraar in de geschiedenis aan het lyceum te La Rochelle en in 1856 professor in de Fransche letterkunde aan de faculteit te Aix. In 1858 zag hij zich benoemd tot hoogleeraar in de geschiedenis te Dijon, maar verliet in 1860 den staatsdienst, werd lid van de redactie van het „Journal des Débats", doch stichtte in 1867 met Hervê het gematigd liberale „Journal de Paris". Ollivier benoemde hem in Januari 1870 tot lid van den Staatsraad en tot secretaris-generaal in het departement van Schoone Kunsten. Door den val van het keizerrijk verloor hij zijn betrekkingen, maar in 1873 werd hij door de Nationale Vergadering weder tot Staatsraad gekozen, doch in 1879 afgezet, omdat hij in „Paris Journal" de republiek bestreden had. Te heftiger viel hij haar aan in den „Gaulois", waarvan hij hoofdredacteur was geworden. Niettemin benoemde Gambetta hem in het laatst van 1881 tot directeur bij het departement van Buitenlandsche Zaken, welke betrekking hij in 1882 bij den val van Gambetta verloor. Van 1883—1885 werd hij medewerker aan het „Journal des Débats." Vervolgens werd hij bibliothecaris aan het paleis te Fontainebleau. Hij overleed aldaar in 1891. Van zijn werken noemen wij: „De inquisitione apud Romanos, Ciceronis tempore" (1856), „Essai sur Hermann et Dorothée" (1856), „Essai sur 1'histoire de la littérature franqaise" (1865), „Au pays du Rhin"(1886), „Le Théatre et les Moeurs" (1889), „Autour de la Comédie franqaise" (1892), „A propos de thé&tre" (1893), „Le Drame historique et le Drame passionnel"

Sluiten