Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bond een verzoekschrift om volkomen vrijheid van drukpers in. Hij werd in 1831 tot afgevaardigde gekozen naar de Kamer in Baden en trad er op als aanvoerder der vrijzinnige partij. Het tijdschrift „Der Freisinnige", door hem met K. von Rotteck gesticht, werd in 1832 verboden, terwijl de beide redacteuren hun betrekkingen verloren. Nu vereenigden zich deze beiden tot de uitgave van het „Staatslexikon" (15 dln., 1834—1849 en 4supplementdeelen; 3de druk, 14 dln., 1856—1866). In Augustus 1840 werd Wekker in zijn hoogleeraarsambt hersteld, maar wegens eenige redevoeringen, op een reis door Duitschland gehouden, weder geschorst. Na dien tijd woonde hij te Iïeidelberg. Na het uitbreken der omwenteling van 1848 werd hij eerst uit Baden afgevaardigd naar den Bondsdag en daarop naar het Parlement te Frankfort, waar hij zitting nam in het rechter centrum en lid werd der commissie tot het ontwerpen van een grondwet. In Juli 1848 vertrok hij als gevolmachtigde van den Duitschen Bond naar Ratzeburg en in Augustus als gezant van het Centraal Bewind naar Stockholm. Ofschoon hij de stichter was van de zoogenaamde Groot-Duitsche Partij, bracht hij den 12den Maart 1849 het voorstel in de Nationale Vergadering, om de keizerlijke waardigheid erfelijk op te dragen aan den koning van Pruisen. In Juni 1849 verliet hij de Nationale Vergadering, legde tevens de betrekking neder van gevolmachtigde der regeering van Baden bij het Centraal Bewind en overleed te Heidelberg den io<ien Maart 1869. Van zijn geschriften vermelden wij nog: „Wichtige Urkunden über den Rechtszustand der deutschen Nation" (1844), „Die rechtliche Begründung unsrer Reform" (1861) en „Der preuszisclie Verfassungskampf" (1863).

Wekker, Hermann, een Duitsch anatoom en anthropoloog, een neef van den voorgaande, geboren den gaten April 1822 te Gieszen, studeerde aldaar en te Bonn in de geneeskunde, werd in 1853 privaatdocent te Gieszen, in 1855 prosector aan het anatomisch instituut en in 1859 hoogleeraar aan de hoogeschool te Halle, waar hij van 1876—1893 de betrekking bekleedde van directeur van de anatomische inrichting. Hij overleed den 12den September 1897 te Winterstein bij Gotha. Hij schreef o.a. over irradiatie (1852), het aantal bloedlichaampjes, voerde het mikrotoom bij de anatomische techniek in en gaf een nieuwe methode aan voor de schedelmeting. O. a. schreef hij over de schedels van Schiller, Kant en Bafjaël. Van 1860—1865 bestudeerde hij de schedelverzameling van Duitschland en Nederland. Van zijn werken noemen wij: „Über Anfertigung mikroskopischer Praeparate" (1856), „Untersuchungen über Wachstum und Bau desmenschlichen Schadels" (1862) en „Schillers Scliadel und Totenmaske nebst Mitteilungen über Schadel und Totenmaske Kants" (1883). Ook gaf hij een verzameling „Dialektgedichte" (2de druk, 1889) uit.

Weldadigheid, Maatschappij van. Zie Maatschappij van Weldadigheid.

Welden, Franz Ludmg, vrijheer Von, een Oostenrijksch veldtuigmeester, geboren den 16dei1 Juni 1782 te Laupheim in Württemberg, trad in 1798 in Württembergschen dienst, nam deel aan de veldtochten tegen Frankrijk in 1799—1800, trad in 1802 in de Oostenrijksclie gelederen, geraakte in 1809 krijgsgevangen bij de Frauschen, maar werd weldra uitgewisseld, zoodat hij als ma¬

joor den slag bij Aspem kon bijwonen. In 1812 werd hij officier van den generalen staf in het hoofdkwartier van den prins Von Schvjarzenberg. Na de verovering van Mantua werd hij in 1814 belast met de taak, het Fransche leger, dat aldaar gecapituleerd had, naar het zuiden van Frankrijk te brengen. In 1816 diende hij bij den generalen staf van het leger, tegenover Murat opgesteld. Daarna werd hij kolonel en in 1816 brigadier van het korps pioniers. Daarop stond hij eenigen tijd aan het hoofd van het topografisch bureau, nam in 1821 als chef van den generalen staf deel aan den veldtocht tegen Piémont en leidde daarna de militaire beschrijving van het land. Van 1832—1838 was hij gevolmachtigde bij de militaire centrale commissie van denDuitschen Bond te Frankfort, werd in 1836 benoemd tot luitenant-veldmaarschalk en verkreeg in 1838 het divisiekommando te Graz en in 1843 het algemeen kommando in Tirol. Bij den opstand van Lombardije in 1848 wist hij de gemeenschap van Radetzky met Oostenrijk te onderhouden en bestuurde de belegering van Venetië. In September van dat jaar werd hij benoemd tot burgerlijk en militair stadhouder in Dalmatië, en na de inname van Weenen bekleedde hij aldaar dezelfde betrekking. In April 1849 verkreeg hij den rang van veldtuigmeester en het opperbevel der armee in Hongarije, maar werd, na het veroveren van Ofen door de Hongaren, vervangen door Haynau, waarna hij tot zijn post te Weenen terugkeerde. Wegens zijn geschokte gezondheid ontving hij in 1861 pensioen en overleed te Graz den 7den Augustus 1853. Hij schreef: „Episoden aus meinem Leben" (3ae druk, 1855), „Der Krieg der Oesterreicher in Italien 1813 und 1814" (1855), ,,'Geschichte der Feldzüge der österreichischen Armee 1848 und 1849" (1875), „Der Feldzug der Oesterreicher gegen Rusland 1812" (1870) en „Der Krieg von 1809 zwischen Oesterreich und Frankreich" (1872). Een door hem gesticht invalidenfonds werd naar hem genoemd.

Weleveld, Louis Alexander van, een Nederlandsch wapenkundige en heraldicus, geboren in 1799, werd bij de stichting van den Hoogen Raad van Adel lid van dit lichaam en vervulde tot viermaal toe de betrekking van heraut van wapenen. Bij de opheffing van genoemd college werd hij op wachtgeld geplaatst en overleed den 31Bten December 1853. Hij heeft talrijke heraldieke en genealogische nasporingen volbracht, waarvan de uitkomsten te vinden zijn in zijn „Algemeen wapenboek van het koninkrijk der Nederlanden" (1829—1836, met 204 platen, waarop zich 1200 familiewapens bevinden) en „Handboek van den Nederlandschen adel" (1848, met 483 wapens). Op beide werken is een vervolg in het licht verschenen. Weleveld was o.a. lid van de Société d'Archéologie Berge.

Welfen is de naam van een Duitsch vorstelijk geslacht, dat een belangrijke rol heeft gespeeld en in één lijn nog bestaat. Reeds onder Karei den Groote wordt een graaf Warin von Altorf vermeld, wiens zoon Isembrand, volgens de overlevering, aan zijn nakomelingen den naam gaf van Welfen (welpen, jonge honden). Zijn zoon Welf I (f omstr. 824) was de eerste, die dezen naam voerde, hij werd door zijn dochter Judith de schoonvader van keizer Lodewijk den Vrome. Graaf Welf II, de stichter van Ravensburg, verbond zich met hertog Ernst von Schwaben tegen keizer Koenraad 11, terwijl deze

Sluiten